ECLI:NL:RBROT:2021:3570
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering werknemer wegens onvoldoende bewijs arbeidsongeval en schade
De werknemer trad in april 2017 in dienst bij ICS en verrichtte werkzaamheden als schoonmaker van bussen. Hij stelde dat hij op 20 september 2017 tijdens het werk was uitgegleden en gevallen, waarbij hij diverse lichamelijke en psychische klachten opliep. Tevens stelde hij dat hij op 9 april 2018 door een voorman was mishandeld en bedreigd, wat eveneens schade veroorzaakte.
De werkgever betwistte het ongeval en de aansprakelijkheid. De werknemer had het ongeval niet gemeld en meldde zich pas weken later ziek. Medische rapporten toonden degeneratieve klachten en geen verband met een trauma. Ook het incident met de voorman werd betwist en onvoldoende onderbouwd.
De rechtbank overwoog dat de arbeidsrechtelijke omkeringsregel niet van toepassing was omdat het verband tussen de klachten en het werk te onzeker was. De stellingen en medische stukken van de werknemer boden onvoldoende bewijs dat het ongeval had plaatsgevonden en dat de schade daardoor was veroorzaakt.
De vorderingen werden afgewezen en de werknemer werd veroordeeld in de proceskosten. De uitspraak bevestigt dat de werkgever slechts aansprakelijk is indien de werknemer voldoende bewijs levert van het ongeval en het causale verband met de schade.
Uitkomst: De vorderingen van de werknemer worden afgewezen wegens onvoldoende bewijs van het bedrijfsongeval en het causale verband met de schade.