ECLI:NL:RBROT:2021:3583
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling zuiveringsheffing bedrijfsruimte versus woonruimte bij eigendomsoverdracht
Eiser werd eigenaar van een onroerende zaak per 1 september 2016 en kreeg een aanslag zuiveringsheffing bedrijfsruimte opgelegd voor de periode van 1 september tot en met 31 december 2016. Eiser betwistte de kwalificatie van de ruimte als bedrijfsruimte en stelde dat het een woonruimte betrof, waarbij de bewoners een gezin of daarmee gelijk te stellen leefeenheid vormden.
De rechtbank onderzocht de definitie van woonruimte en bedrijfsruimte volgens de Waterschapswet en de Verordening zuiveringsheffing. Gezien het gedeelde gebruik van voorzieningen door meerdere bewoners en het ontbreken van een gezins- of gelijkwaardige leefeenheid, concludeerde de rechtbank dat het pand niet als woonruimte kan worden aangemerkt. De onroerende zaak is terecht als bedrijfsruimte geclassificeerd.
Verder stelde eiser dat sprake was van dubbele heffing omdat de vorige eigenaar ook was aangeslagen voor het gehele jaar. De rechtbank verwierp dit omdat de aanslagen waren gebaseerd op het waterverbruik in de respectievelijke eigendomperiodes. Ook de stelling dat de aanslag te hoog was vanwege een te hoog vastgesteld waterverbruik werd niet gevolgd, omdat eiser onvoldoende bewijs leverde om de vervuilingswaarde te verlagen.
Het beroep werd ongegrond verklaard en de rechtbank wees een proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag.
Uitkomst: De aanslag zuiveringsheffing bedrijfsruimte is terecht opgelegd en het beroep wordt ongegrond verklaard.