Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.AgaSAAT GmbH (Agasaat), gevestigd te Neukirchen-Vluyn (Duitsland),
2.Waalhaven Douane Service B.V. (WDS), gevestigd te Rotterdam,
Eiseressen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Voorts heeft namens Agasaat deelgenomen [naam] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. Kurvink. Voorts hebben namens verweerder deelgenomen mr. N.D.R. Heijstek en M.R. van der Wal. Het onderzoek ter zitting is in overleg met partijen ter zitting geschorst tot dat zal zijn beslist op het bezwaar.
Dit betekent dat het primaire besluit onbevoegd is genomen en dat het bezwaar terecht is genomen door verweerder ten einde dit gebrek te helen in bezwaar (vgl. ECLI:NL:RVS:2018:2120). De voorzieningenrechter houdt het ervoor dat verweerder dit bevoegdheidsgebrek in bezwaar heeft kunnen passeren met artikel 6:22 van Pro de Awb, omdat aannemelijk is dat eiseressen daardoor niet zijn benadeeld. Hoewel dit gebrek dus met het besluit op bezwaar is hersteld ziet de voorzieningenrechter niettemin aanleiding tot een proceskostenveroordeling in beroep.
5 november 2020 was de partij opgeslagen bij KLG Europe Rotterdam BV, te Rotterdam.
In de verklaring van het onderzoek van het laboratorium van 21 november 2020 staat dat in het genomen monster een hoeveelheid bestrijdingsmiddelen, bestanddelen daarvan of omzettingsproducten, te weten ethyleenoxide, aanwezig was met een gehalte van 2,0 mg/kg. Gelet op Uitvoeringsverordening (EU) 2015/868 van de Commissie van 26 mei 2015 tot wijziging van de bijlagen II, III en V bij Verordening (EG) nr. 396/2005 is ethyleenoxide verwijderd uit bijlage II en opgenomen in bijlage V en geldt daarvoor een maximumresidugehalte (mg/kg) van 0,5 voor wat betreft sesamzaad. Dat betekent dat in de partij sprake is van een overschrijding van 40 maal het toegestane gehalte. Door het aangetroffen gehalte ethyleenoxide is volgens verweerder sprake van een onveilig levensmiddel dat schadelijk is voor de gezondheid. Daarom is deze onveilige zending in officiële bewaring gesteld en is WDS gelast de zending onverwijld te laten vernietigen op grond van artikel 67 van Pro de Verordening (EG) nr. 2017/625.
“uit de gemeenschap(mijn onderstreping) uitgevoerde of wederuitgevoerde levensmiddelen”. Het feit dat het in het artikel bepaalde niet van toepassing is op goederen die nog niet in de EU zijn ingevoerd en zich dus nog aan de buitengrens van de EU bevinden, volgt overigens ook uit de bewuste brief van de Europese Commissie, nu daarin expliciet het volgende is aangegeven:
inde EU kan er dus geen sprake zijn van uitvoer of wederuitvoer in de zin van artikel 12, eerste lid van Verordening (EG) nr. 178/2002 en is die bepaling niet van toepassing. Uw verwijzing naar het Douanewetboek van de Unie maakt daarin geen verandering. Dat een zending mogelijk op grond van het douanerecht zou mogen worden teruggezonden, is niet bepalend voor het antwoord op de vraag of de levensmiddelenwetgeving dat ook toestaat.
Beslissing
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;
- bepaalt dat verweerder aan eiseressen het betaalde griffierecht van € 360 in de hoofdzaak vergoedt;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseressen tot een bedrag van € 1.068.