De zaak betreft een vordering van de verhuurder tot beëindiging van een huurovereenkomst voor een bovenwoning wegens dringend eigen gebruik in het kader van een noodzakelijke renovatie en latere zelfbewoning. De huurder had zich eerder tot de Huurcommissie gewend vanwege onderhoudsgebreken, waarna een bouwkundig rapport een zeer slechte staat van onderhoud en onbewoonbaarheid constateerde. De verhuurder stelde dat renovatie noodzakelijk was en dat de huurovereenkomst daarom opgezegd kon worden.
De huurder betwistte de urgentie van het dringend eigen gebruik en stelde dat de renovatie niet zo dringend was dat de huurovereenkomst beëindigd moest worden. Ook werd aangevoerd dat de verhuurder het achterstallig onderhoud zelf heeft veroorzaakt door het niet tijdig aanpakken ervan. De gemeente Rotterdam stelde bovendien dat het pand niet onbewoonbaar was. De kantonrechter oordeelde dat de verhuurder onvoldoende bewijs had geleverd om aan te tonen dat de renovatie zodanig dringend was dat de huurovereenkomst moest eindigen.
Daarnaast stelde de verhuurder dat zij na renovatie zelf in de woning wilde gaan wonen, maar dit werd niet als een dringende grond voor beëindiging van de huurovereenkomst gezien. Ook was onvoldoende aangetoond dat de huurder passende woonruimte kon verkrijgen. De kantonrechter besloot daarom de vordering af te wijzen en de huurovereenkomst voor onbepaalde tijd te verlengen.
Verder werd een verzoek tot huurachterstand niet toegelaten wegens strijdigheid met de goede procesorde. De verhuurder werd veroordeeld in de proceskosten, vastgesteld op €622 aan salaris gemachtigde plus wettelijke rente en nakosten.