Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 april 2021 in de zaak tussen
[naam eiser] , te [woonplaats eiser] , eiser
de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder
.
Rechtbank Rotterdam
De rechtbank Rotterdam behandelde het beroep van eiser tegen een bestuurlijke boete van €300,- en de terugbetalingsverplichting van een lening, opgelegd wegens het niet tijdig voldoen aan de inburgeringsplicht. Eiser had meerdere verzoeken tot verlenging van de inburgeringstermijn ingediend, onder meer vanwege de problematische zwangerschap van zijn vrouw en zorg voor zijn zoon, maar deze werden afgewezen. De rechtbank oordeelde dat eiser verwijtbaar te laat was met inburgeren.
De rechtbank stelde vast dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hem geen verwijt kon worden gemaakt. De omstandigheden rondom de zwangerschap en zorgplicht konden niet als geldige reden voor verlenging worden gezien, mede omdat eiser zelf verantwoordelijk bleef voor tijdige inburgering. Ook de stelling dat het staatsexamen niet beschikbaar was, werd niet onderbouwd. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat de situatie van eiser niet vergelijkbaar was met die van anderen.
De rechtbank bevestigde dat de boete terecht was opgelegd en dat de terugbetaling van de lening door DUO gehandhaafd kon blijven, omdat eiser niet binnen de termijn was ingeburgerd en geen vrijstelling of ontheffing had gekregen. De mogelijkheid om een draagkrachtberekening aan te vragen werd tijdens de zitting besproken. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de boete en terugvordering lening wegens te late inburgering wordt ongegrond verklaard.