Uitspraak
Datum uitspraak: 13 april 2022
AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAK
voorzitter
Raad van State
De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid legde appellant een boete van €300 op en bepaalde dat hij de lening voor de inburgeringscursus moest terugbetalen, omdat hij niet tijdig aan zijn inburgeringsplicht had voldaan. Appellant voerde aan dat medische omstandigheden en zorg voor zijn gezin hem verhinderden tijdig te starten en wees op een ontheffingsbesluit.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat appellant onvoldoende verwijt kan worden gemaakt voor de vertraging en dat het ontheffingsbesluit erkent dat hij voldoende inspanningen heeft geleverd. De terugbetalingsplicht van de lening is daarom onevenredig en in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel van de Awb.
De Afdeling vernietigde het besluit tot terugbetaling van de lening en verleende volledige kwijtschelding, maar handhaafde de boete omdat enige verwijtbaarheid bleef bestaan. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Deze uitspraak benadrukt het belang van een individuele belangenafweging bij terugbetalingsverplichtingen en bevestigt dat boetes proportioneel moeten zijn en rekening houden met persoonlijke omstandigheden.
Uitkomst: De terugbetalingsplicht van de lening wordt vernietigd en kwijtgescholden, de boete van €300 blijft gehandhaafd.