5.2.De hoogte van de loonbelasting/premie volksverzekeringen wordt aan de hand van de volgende formule berekend:
Loonbelasting = (netto belaste bijstand — Q) x E — Q
E = (2019) 57,85%
Q = algemene heffingskorting (2019) = € 2.477,04
Paragraaf 3.2.2 van de Rekenregels schrijft voor dat het percentage over het
jaar 2019 voor de bijstandsgerechtigde jonger dan de AOW-leeftijd 57,85% bedraagt
(onderdeel E van de formule).
Verweerder heeft vastgesteld dat de netto belaste bijstand (bruto uitkering – loonheffing) voor eiser € 11.344 bedraagt (€ 13.998 – € 2.654). De juistheid van dit bedrag is, naar de rechtbank begrijpt uit de nadere reactie van eiser op het verweerschrift, niet langer in geschil. De rechtbank merkt daarbij op dat verweerder voor de vaststelling van dit bedrag gebruik heeft gemaakt van de jaaropgave 2019 van eiser en de rechtbank ook overigens geen aanleiding ziet om te twijfelen aan de juistheid van dit bedrag.
Evenmin is in geschil dat de loonbelasting volgens de oude toekenning € 2.652,50 bedraagt. Immers, (€ 11.344 - € 2.477,04) x 57,85% - € 2.477,04 = € 2.652,50.
De rechtbank is met eiser van oordeel dat de algemene heffingskorting (voor wat betreft de nieuwe toekenning) naar rato dient te worden toegepast. Dit volgt ook uit pagina 12 en 25 van de Rekenregels. De maanden maart en november 2019 dienen daarom buiten beschouwing te worden gelaten; de vordering van verweerder heeft immers geen betrekking op deze twee maanden. De algemene heffingskorting dient aldus naar rato te worden vastgesteld op € 2.064,20 (10 maanden x € 206,42).
Dit betekent dat de loonbelasting volgens het nieuwe recht € 1.965,17 bedraagt. Immers:
€ 11.344 - € 2.314,6 (netto vordering) = € 9.029,40
(€ 9.029,40 - € 2.064,20) x 57,85% - € 2.064,20 = € 1.965,17.
Het verschil tussen oud recht en nieuw recht bedraagt dan € 2.652,50 - € 1.965,17 = € 687,33.
Dit betekent dat het bedrag aan premies en belastingen dient te worden vastgesteld op voornoemd bedrag van € 687,33 (in plaats van € 1.339,- dan wel € 1.013,16 waar verweerder respectievelijk in het verweerschrift dan wel in de ter zitting overgelegde berekening vanuit is gegaan).
Voor de stelling van eiser dat ten onrechte is gerekend met 57,85% (factor E), en dit onevenredig moet worden geacht, ziet de rechtbank geen grond. Dit percentage vloeit immers rechtstreeks voort uit de Rekenregels. Evenmin ziet de rechtbank nog grond voor het oordeel dat de ‘algemene heffingskorting elders benut’ ten onrechte niet is toegepast. Zoals verweerder in het verweerschrift heeft toegelicht, is in dit geval geen sprake van witte inkomsten elders of een WW-uitkering, in welke situaties die betreffende algemene heffingskorting aan de orde is.
Het voorgaande leidt de rechtbank tot de slotsom dat het bedrag aan bruto terugvordering dient te worden bepaald op € 3.001,93 (€ 2.314,60 + € 687,33).
6. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren, het bestreden besluit vernietigen voor zover dit betrekking heeft op de hoogte van de bruto terugvordering, de primaire besluiten 4 en 5 herroepen en zelf in de zaak voorzien in die zin dat de rechtbank het bedrag aan te betalen premies en belastingen vaststelt op € 687,33 en de bruto terugvordering aldus op € 3.001,93.
7. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.
8. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.068,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 534,- en wegingsfactor 1). Nu de kosten in bezwaar reeds door verweerder zijn vergoed, bestaat er geen aanleiding om deze kosten nog te vergoeden.