Eiser huurt sinds 1986 een woning van Havensteder. Havensteder heeft een bodemprocedure gestart om de huurovereenkomst te ontbinden en ontruiming te vorderen. Op 5 februari 2021 werd de huurovereenkomst ontbonden en ontruiming bevolen, uitvoerbaar bij voorraad. Eiser stelde hoger beroep in tegen dit vonnis.
Havensteder kondigde aan de woning op 22 april 2021 te ontruimen. Eiser vorderde in kort geding schorsing van de tenuitvoerlegging van de ontruiming totdat het hoger beroep is beslist, met een dwangsom bij overtreding.
De kantonrechter oordeelde dat er geen kennelijke misslag was in het vonnis van 5 februari 2021 en dat inhoudelijke bezwaren in kort geding niet kunnen leiden tot schorsing. Wel achtte de rechter het zwaarwegende belang van eiser bij behoud van de woning groter dan het belang van Havensteder bij snelle ontruiming, vanwege de coronapandemie die terugreis naar Marokko onmogelijk maakt en een geplande staaroperatie.
De tenuitvoerlegging van de ontruiming wordt daarom geschorst tot het hoger beroep is beslist. De gevorderde dwangsom wordt afgewezen. Havensteder wordt veroordeeld in de proceskosten.