ECLI:NL:RBROT:2021:4971

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
7 juni 2021
Publicatiedatum
4 juni 2021
Zaaknummer
C/10/595691 / FA RK 20-3010
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beschikking over gezamenlijk ouderlijk gezag en omgangsregeling na conflict

In deze zaak verzoekt de man gezamenlijk ouderlijk gezag over zijn minderjarige kinderen met de vrouw. Na een periode van heftige conflicten hebben partijen hun omgangsregeling kunnen overeenkomen, waarbij de kinderen om het weekend bij de man verblijven.

De rechtbank erkent de verbetering in de onderlinge relatie, maar constateert dat het vertrouwen nog broos is. Daarom wordt het verzoek tot gezamenlijk gezag aangehouden en wordt het traject 'Ouderschap in Overleg' ingezet, waarbij beide ouders samen met de raad voor de kinderbescherming in gesprek gaan om geschillen te verminderen en het belang van de kinderen centraal te stellen.

De rechtbank wijst het verzoek tot informatie- en consultatieregeling en ondertoezichtstelling eveneens aanhouding toe in afwachting van de uitkomsten van dit traject. De zaak wordt aangehouden tot 1 oktober 2021, waarna verdere behandeling zal plaatsvinden op basis van de rapportage van de raad. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden.

Uitkomst: Verzoek gezamenlijk ouderlijk gezag aangehouden en omgangsregeling vastgesteld, zaak aangehouden tot rapportage Ouderschap in Overleg.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie
zaaknummer / rekestnummer: C/10/595691 / FA RK 20-3010
Beschikking van 7 juni 2021 betreffende het ouderlijk gezag, de regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht, informatie- en consultatieregeling en de ondertoezichtstelling
in de zaak van:
[naam man], de man,
wonende te [woonplaats man] (gemeente [gemeente] ),
advocaat mr. Chr.E. Pfeiffer te Hellevoetsluis,
t e g e n
[naam vrouw], de vrouw,
wonende te [woonplaats vrouw] (gemeente [gemeente] ),
advocaat mr. R.A.F. Jansen te Rotterdam,
met betrekking tot de minderjarigen (hierna ook: kinderen):
[naam minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum minderjarige 1] 2009 te [geboorteplaats] ;
[naam minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum minderjarige 2] 2012 te [geboorteplaats] .

1..De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de beschikking van 23 juni 2020;
  • de berichten (met bijlagen) van de man van 30 november 2020 en 14 mei 2021;
1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 27 mei 2021. Daarbij zijn verschenen:
  • de man, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
  • de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), vertegenwoordigd door [naam vertegenwoordiger] .
1.3.
De minderjarige [naam minderjarige 1] is, gelet op haar leeftijd, in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. De minderjarige [naam minderjarige 1] heeft hier gebruik van gemaakt.

2..De beoordeling

2.1.
Bij beschikking van 23 juni 2020 heeft de rechtbank de behandeling van de zaak aangehouden ten aanzien van de bodemprocedure. De rechtbank verwijst naar en neemt over wat ten aanzien van die onderwerpen is opgenomen in die beschikking.
2.2.
Regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht (hierna: omgangsregeling)
2.2.1.
Partijen hebben in de loop van de procedure overeenstemming bereikt over de omgangsregeling. De rechtbank zal beslissen zoals partijen zijn overeengekomen. De rechtbank merkt ten overvloede op dat het partijen vrij staat de regeling in onderling overleg verder uit te breiden.
2.3.
Ouderlijk gezag
2.3.1.
De man verzoekt te bepalen dat het ouderlijk gezag over de minderjarigen voortaan aan partijen gezamenlijk toekomt.
2.3.2.
De vrouw voert gemotiveerd verweer.
2.3.3.
Partijen zijn erin geslaagd op een constructieve wijze het overleg tussen elkaar te hervatten wat heeft geleid tot een herstel van het contact tussen de man en de minderjarigen. De oudste minderjarige die met de kinderrechter heeft gesproken, heeft verteld dat zij hier heel blij mee is. Tussen partijen hebben zich in het verleden grote conflicten voorgedaan. Partijen verdienen daarom een compliment dat zij gelet op het belang van hun kinderen zich hebben ingespannen hun onderlinge relatie te verbeteren en zich te richten op de toekomst in plaats van op het verleden. Dit neemt niet weg dat het onderlinge vertrouwen nog broos is en de communicatie zich tot nu toe beperkt tot e-mailverkeer. De man wil als betrokken ouder samen met de vrouw ook het gezag over hun kinderen. De vrouw acht de tijd hiervoor nog niet rijp. Tijdens de mondelinge behandeling is gesproken over de mogelijkheid van deelname aan de onderzoeksmethode van de raad: 'Ouderschap in Overleg'. Anders dan bij een regulier raadsonderzoek gaan bij deze methode beide ouders tezamen met twee raadsmedewerkers in gesprek en is het onderzoek in beginsel van korte duur. Bekeken wordt op welke punten ouders elkaar kunnen vinden en op welke punten er geschillen blijven bestaan. De minderjarigen kunnen bij het onderzoek worden betrokken. Tijdens de gesprekken informeren de raadsmedewerkers ouders hoe zij tegen de geschillen/standpunten aankijken en wat zij denken dat in het belang van de minderjarigen is. Indien partijen niet tot overeenstemming komen, adviseert de raad aan de rechtbank wat zij in het belang van de minderjarigen acht.
2.3.4.
Partijen verklaren zich tijdens de mondelinge behandeling bereid het traject 'Ouderschap in Overleg' met de raad in te gaan.
2.3.5.
De rechtbank zal de behandeling van de zaak in afwachting van de uitkomst van het traject 'Ouderschap in Overleg' aanhouden tot na te noemen datum.
2.4.
Informatie- en consultatieregeling en ondertoezichtstelling van de minderjarigen
2.4.1.
De man verzoekt een informatie- en consultatieregeling vast te stellen. Verder verzoekt de man de minderjarigen onder toezicht te stellen van een de gecertificeerde instelling.
2.4.2.
De vrouw voert gemotiveerd verweer.
2.4.3.
Omdat het verzoek van de man met betrekking tot het ouderlijk gezag in afwachting van de resultaten van het traject 'Ouderschap in Overleg' bij de raad wordt aangehouden, worden deze verzoeken van de man eveneens aangehouden.
2.5.
Proceskosten
2.5.1.
Omdat nog geen eindbeslissing wordt gegeven, wordt nu ook nog geen beslissing genomen over de proceskosten.

3..De beslissing

De rechtbank:
3.1.
neemt op de onderlinge regeling die partijen over de omgangsregeling hebben getroffen, te weten dat de minderjarigen als volgt bij de man zullen verblijven:
- een weekend per veertien dagen van vrijdag 19.00 uur tot zondag 16.00 uur;
3.2.
verzoekt de raad voor de kinderbescherming, regio Rotterdam-Dordrecht, om onderzoek of andere bemoeienis (Ouderschap in Overleg) met betrekking tot het ouderlijk gezag over de minderjarigen en de informatie- en consultatieregeling en tegen bedoelde datum aan de rechtbank (verkort) te rapporteren en advies uit te brengen;
3.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst af het meer of anders verzochte ten aanzien van de omgangsregeling;
en alvorens verder te beslissen:
3.5.
bepaalt dat de behandeling van de zaak wordt aangehouden tot
1 oktober 2021 PRO FORMA;
3.6.
bepaalt dat partijen, hun advocaten en de raad voor de kinderbescherming op de pro forma-datum niet tijdens de mondelinge behandeling behoeven te verschijnen.
3.7.
bepaalt dat - zodra de rechtbank in de onderhavige zaak de verzochte rapportage heeft ontvangen - partijen in de gelegenheid gesteld zullen worden hierop schriftelijk te reageren, waarna - indien nodig - de mondelinge behandeling van de zaak zal worden voortgezet op een dan te bepalen datum en tijdstip.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.C.A. de Groot, rechter, tevens kinderrechter, en
in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier J. Don-van Loopik op
7 juni 2021.
Voor zover in deze beschikking een of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, staat tegen deze beschikking hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden voor het instellen van hoger beroep.