De zaak betreft een conflict tussen buren dat escaleerde in een vechtpartij op 17 april 2020 in Rotterdam. Verdachte werd beschuldigd van bedreiging via Facebook Messenger, poging zware mishandeling door met een mes in het hoofd van de aangever te steken, en mishandeling van de moeder van de aangever.
De rechtbank oordeelde dat de verklaringen van partijen onderling sterk uiteenliepen en dat de voorgeschiedenis van conflicten de betrouwbaarheid van deze verklaringen beïnvloedde. Daarom werd alleen waarde gehecht aan objectief bewijs. De bedreigingen via chat werden weliswaar gedaan, maar de context en reactie van de aangever maakten dat er geen redelijke vrees bestond. De medische onderbouwing van de verwonding ontbrak, waardoor niet kon worden vastgesteld of het een steekwond was. Ook voor de mishandeling van de moeder ontbrak objectief bewijs.
De rechtbank sprak verdachte daarom vrij van alle ten laste gelegde feiten. De benadeelde partijen werden niet-ontvankelijk verklaard in hun schadevorderingen en veroordeeld in de proceskosten, die nihil werden begroot.