In deze zaak stond de vraag centraal wat de waarde is van de legitieme portie van eiseres, die een zesde deel bedraagt van de legitimaire massa. De nalatenschap betrof onder meer aandelen in Verste Beheer B.V., onroerende zaken in Spanje en Nederland, banktegoeden en vorderingen. De rechtbank stelde vast dat de waarde van de goederen van de nalatenschap op de peildatum werd vastgesteld op ongeveer €4.625.330, terwijl de schulden ten minste €4.985.474,58 bedroegen, waardoor de legitimaire massa negatief is.
Eiseres probeerde terug te komen op eerdere bindende eindbeslissingen omtrent de waardering van onroerende zaken en de eigendom daarvan, maar de rechtbank oordeelde dat dit niet mogelijk is zonder geldige redenen zoals dwaling. De gestelde hogere waardes en nieuwe argumenten werden niet aanvaard. Ook werd de vordering van de nalatenschap op een derde wegens vermeende betaling van de volledige koopsom niet bewezen verklaard.
De rechtbank concludeerde dat de vordering van eiseres tot vaststelling van de legitieme portie moet worden afgewezen wegens het negatieve vermogen van de nalatenschap. De proceskosten werden gecompenseerd, waarbij elke partij haar eigen kosten draagt. Er was geen sprake van misbruik van procesrecht door eiseres.