Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
[appellant],
[appellant],
[geïntimeerde],
[geïntimeerde],
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze civiele procedure heeft appellant bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden verzocht om tussentijds cassatieberoep te mogen instellen tegen het arrest van 22 april 2014. Dit arrest betrof een tussenarrest waarin de incidentele vorderingen van appellant tot schorsing van tenuitvoerlegging en inzage van bescheiden werden afgewezen, terwijl de hoofdzaak nog niet definitief was beslist en naar de rol was verwezen voor verdere behandeling.
Het hof overwoog dat op grond van artikel 398 Rv Pro tegen een tussenarrest in principe geen cassatieberoep mogelijk is, maar dat artikel 401a lid 2 Rv de rechter de bevoegdheid geeft om in bijzondere gevallen tussentijds cassatieberoep toe te staan. Het verzoek van appellant was tijdig ingediend binnen de cassatietermijn.
Na afweging van de belangen en de stand van de procedure, waarbij de hoofdzaak inmiddels voor pleidooi stond en nog geen inhoudelijk tussenarrest was gewezen, oordeelde het hof dat toewijzing van het verzoek zou leiden tot aanzienlijke vertraging, hetgeen niet in het belang van partijen was. Daarom wees het hof het verzoek af en bevestigde het arrest van 22 april 2014 zonder tussentijdse cassatie toe te staan.
Uitkomst: Verzoek tot tussentijds cassatieberoep wordt afgewezen vanwege mogelijke vertraging en het ontbreken van een inhoudelijk tussenarrest.