De man en de vrouw zijn in 2001 gehuwd in algehele gemeenschap van goederen en in 2019 gescheiden. De echtelijke woning is gezamenlijk eigendom van de man en zijn broer, waarbij de vrouw gerechtigd is tot de helft van het aandeel van de man. Na de echtscheiding ontstond een geschil over de verkoop en verdeling van de woning, waarbij de vrouw de verkoop tegenhield omdat zij de woning wilde overnemen en bezwaar maakte tegen de deelname van de broer in de overwaarde.
De rechtbank constateert dat de vrouw financieel niet in staat is de woning over te nemen en dat de broer mede-eigenaar is, niet slechts borg. De verdeling van de overwaarde en eventuele verrekeningen kunnen niet in kort geding worden vastgesteld en dienen in een bodemprocedure. Gezien het tijdsverloop kan van de man niet langer worden gevergd in onverdeeldheid te blijven.
De rechtbank machtigt de man en zijn broer tot verkoop via een makelaar en bepaalt dat het vonnis in de plaats treedt van de noodzakelijke toestemming van de vrouw. De vrouw wordt veroordeeld tot medewerking aan de verkoop, waaronder het toelaten van de makelaar voor bezichtigingen en het netjes houden van de woning, onder dwangsom. De vordering van de vrouw tot informatieverstrekking wordt afgewezen. Partijen dragen ieder hun eigen proceskosten.