De rechtbank Rotterdam behandelde de zaak tegen verdachte die werd verdacht van verkoop van heroïne en medeplegen van het voorhanden hebben van heroïne en cocaïne. De verkoop ten laste gelegd werd vrijgesproken vanwege uitsluiting van cruciaal getuigenbewijs, in lijn met de EHRM-uitspraak Keskin v. Nederland, waardoor onvoldoende wettig bewijs overbleef.
De rechtbank stelde vast dat verdachte samen met een medeverdachte ruim 3 kilogram heroïne en circa 284 gram cocaïne in bezit had in een woning in Rotterdam. Dit werd ondersteund door politie-observaties, vondsten in een rolkoffer en woning, telefoononderzoek en het ontbreken van een plausibele verklaring voor het geldbedrag dat werd aangetroffen.
De feiten werden als ernstig beoordeeld vanwege de omvang van de drugs en de maatschappelijke impact van drugshandel. Verdachte had geen vaste verblijfplaats of inkomen in Nederland, wat duidt op betrokkenheid bij drugshandel als hoofddoel. Gezien de overschrijding van de redelijke termijn met circa 3,5 jaar werd de straf verminderd tot 281 dagen gevangenisstraf, gelijk aan het voorarrest.
Daarnaast werden drie in beslag genomen telefoons verbeurd verklaard omdat deze bij het plegen van het bewezen verklaarde feit waren gebruikt. De rechtbank oordeelde dat de straf passend en geboden was gezien de ernst, omstandigheden en persoonlijke situatie van verdachte.