Eiser kreeg een boete van €400 opgelegd wegens het niet tijdig voldoen aan de inburgeringsplicht en werd verplicht zijn lening terug te betalen. Eiser voerde aan dat hij slechts vijf dagen te laat was met het inleveren van zijn portfolio, dat hij lessen miste door hoofdpijn en dat zijn verblijf in een asielzoekerscentrum de start van zijn inburgering vertraagde.
De rechtbank oordeelde dat deze gronden onvoldoende waren om het verwijt weg te nemen, mede omdat de termijn voor inburgering door de minister was verlengd vanwege het AZC-verblijf en eiser geen bezwaar had gemaakt tegen die termijn. Wel constateerde de rechtbank een motiveringsgebrek in het besluit waarin de hoogte van de boete niet voldoende werd toegelicht, met name ten opzichte van de beleidsregels en de boetetabel.
De rechtbank stelde de minister in de gelegenheid het besluit binnen vier weken te herstellen met een nadere motivering of een nieuwe beslissing. De terugbetaling van de lening werd niet inhoudelijk beoordeeld omdat daartegen geen beroep was ingesteld. De rechtbank hield verdere beslissingen aan en bepaalde dat de procedure na herstel beperkt blijft tot de reeds besproken gronden.