Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 juli 2021 in de zaak tussen
[eiser] , te [plaats] , eiser,
de heffingsambtenaar van de Regionale Belasting Groep, verweerder,
Procesverloop
Overwegingen
.
Rechtbank Rotterdam
De zaak betreft een geschil over de WOZ-waarde van een tussenwoning te Schiedam voor het belastingjaar 2020. Verweerder stelde de waarde oorspronkelijk vast op €505.000,- en na bezwaar op €461.000,-. Eiser betwist deze waarde en verwijst naar een taxatierapport uit 2016 met een lagere waarde van €410.000,-.
De rechtbank analyseerde de waardering op basis van de Wet WOZ, waarbij de waarde wordt bepaald op de prijs die een meest biedende koper zou betalen. Verweerder gebruikte een vergelijkingsmethode met verkoopcijfers van vergelijkbare woningen rond de waardepeildatum 1 januari 2019, waarbij correcties zijn gemaakt voor verschillen in wooninhoud, voorzieningen en omgevingsfactoren.
De rechtbank concludeert dat de gebruikte vergelijkingsobjecten voldoende vergelijkbaar zijn en dat de lagere m³-prijs van de onroerende zaak ten opzichte van de vergelijkingsobjecten een waardedrukkend effect weerspiegelt. Ook acht de rechtbank het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet geslaagd, omdat de woningen niet identiek zijn.
Daarmee is niet aannemelijk gemaakt dat de WOZ-waarde te hoog is vastgesteld. Het beroep wordt ongegrond verklaard en een proceskostenveroordeling wordt niet opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €461.000,- wordt ongegrond verklaard.