ECLI:NL:RBROT:2021:6459
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bezwaar tegen invordering wettelijke rente over bestuurlijke boetes
De zaak betreft het beroep van meerdere eisers tegen een besluit van de Autoriteit Consument en Markt (ACM) waarbij het bezwaar tegen de invordering van wettelijke rente over bestuurlijke boetes ongegrond werd verklaard. De boetes waren oorspronkelijk opgelegd bij besluit van 7 november 2013 en definitief vastgesteld na een uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) op 20 augustus 2019.
Eisers voerden aan dat de brieven van 13 september 2019 van ACM invorderingsbesluiten zijn en dat ACM ten onrechte rente invordert over boetes die volgens hen nieuw zijn opgelegd aan feitelijk leidinggevers. De rechtbank oordeelt dat de boetebesluiten onherroepelijk zijn geworden met de uitspraak van het CBb en dat de brieven enkel uitvoering geven aan deze uitspraak zonder wijziging van de rechtspositie van eisers. De brieven zijn dan ook geen besluiten in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Verder overweegt de rechtbank dat ACM uit coulance heeft afgezien van het innen van wettelijke rente over de boetes aan enkele feitelijk leidinggevers. De rechtbank ziet geen reden om het bezwaar gegrond te verklaren of proceskosten toe te wijzen. Het beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak is gedaan door rechter A.C. Rop op 30 juni 2021.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en oordeelt dat de brieven van 13 september 2019 geen invorderingsbesluiten zijn.