De rechtbank Rotterdam behandelde de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van het opzettelijk financieren van terrorisme en het overtreden van de Sanctiewet 1977 door geld over te maken via Western Union aan personen in Turkije die zouden fungeren als tussenpersonen voor IS-strijders.
De verdediging voerde aan dat mogelijk misbruik was gemaakt van het paspoort van de verdachte en dat er geen bewijs was dat het geld daadwerkelijk voor terroristische doeleinden werd gebruikt. De rechtbank oordeelde dat het gebruik van het paspoort bij de transacties aannemelijk maakte dat de verdachte zelf de overmakingen verrichtte, maar dat onvoldoende bewijs bestond dat het geld bestemd was voor IS of dat de ontvangers daadwerkelijk betrokken waren bij terroristische activiteiten.
De rechtbank verwierp het verweer van schending van het ne bis in idem-beginsel omdat de feiten een ander tijdsbestek en ander feitencomplex betroffen dan eerdere strafzaken. Uiteindelijk sprak de rechtbank de verdachte vrij van alle tenlastegelegde feiten wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs.