Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1..Het verloop van de procedure
2..De vaststaande feiten
5. De beoordeling
4. De beoordeling
Rechtbank Rotterdam
De zaak betreft een kort geding tussen verhuurder en huurder van een bedrijfsruimte in Capelle aan den IJssel. De huurder is sinds 2014 partij bij de huurovereenkomst en heeft herhaaldelijk de huur niet tijdig voldaan, ondanks eerdere vonnissen die hem tot betaling en boetes veroordeelden.
De verhuurder vordert ontruiming van het gehuurde, betaling van de huurachterstand, boetes en een gebruiksvergoeding tot de ontruiming. De huurder betwist de vordering en wijst op de gevolgen van de coronapandemie en vermeende ongelijke behandeling door de verhuurder.
De kantonrechter stelt vast dat de huurder structureel betalingsachterstanden heeft laten ontstaan, ook vóór de coronapandemie, en onvoldoende gemotiveerd heeft dat dit patroon is doorbroken. De vordering tot ontruiming wordt toegewezen met een termijn van één maand na betekening. Daarnaast wordt de betaling van de openstaande servicekosten en de lopende huurverplichtingen tot ontruiming toegewezen, inclusief wettelijke rente en een boete bij te late betaling.
De gevorderde schadevergoeding na ontruiming wordt afgewezen wegens ongeschiktheid van het kort geding daarvoor. De huurder wordt veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: De huurder wordt veroordeeld tot ontruiming binnen één maand en betaling van openstaande servicekosten, lopende huurverplichtingen en boetes.