Uitspraak
mr. P.L. Visserte Amsterdam,
mr. A. Kniggete Amsterdam.
Gerechtshof Amsterdam
UBS is eigenaar en verhuurder van een bedrijfsruimte die CEVA huurt sinds 1 maart 2007. CEVA schoot vanaf april 2008 tot en met december 2008 tekort in de betaling van huur en servicekosten, wat leidde tot een huurachterstand van ruim € 450.000. UBS vorderde ontruiming, betaling van de huurachterstand en een contractuele boete van ruim € 90.000. De voorzieningenrechter wees de vorderingen tot ontruiming en huurbetaling toe, maar wees de boete af.
In hoger beroep stond centraal of de contractuele boete in kort geding kon worden toegewezen en of de kostenveroordeling juist was. Het hof overwoog dat toewijzing van een geldvordering in kort geding terughoudend moet plaatsvinden en dat een spoedeisend belang vereist is. Omdat de hoofdvordering tot betaling van de huurachterstand voldoende spoedeisend was en de boete nauw daarmee samenhing, was ook toewijzing van de boete uit hoofde van onverwijlde spoed gerechtvaardigd.
CEVA voerde aan dat zij de huurbetalingen mocht opschorten wegens tekortkomingen in het gehuurde, maar het hof volgde de eerdere beoordeling dat dit niet aannemelijk was. Ook stelde CEVA dat een aanmaning vereist was voor de boete en dat matiging op zijn plaats was, maar het hof verwierp deze verweren wegens onvoldoende onderbouwing en het toepasselijke recht. Het hof veroordeelde CEVA tot betaling van de contractuele boete en in de proceskosten van zowel eerste aanleg als hoger beroep.
Het arrest vernietigt het vonnis van de voorzieningenrechter voor zover de boete en kosten eerste aanleg zijn afgewezen, bekrachtigt het vonnis voor het overige, en verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: De vordering tot betaling van de contractuele boete wordt toegewezen en CEVA wordt veroordeeld in de proceskosten van eerste aanleg en hoger beroep.