ECLI:NL:RBROT:2021:831
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bestuurlijke boete voor niet doen van aangifte verblijf en adres
Eiser kreeg een bestuurlijke boete van €325 opgelegd door het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam wegens het niet doen van aangifte van verblijf en adres. Dit volgde op een huisbezoek waarbij eiser verklaarde sinds een jaar op het betreffende adres te wonen en studeert aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. De gemeente stelde op basis hiervan dat eiser naar redelijke verwachting gedurende een half jaar ten minste twee derde van de tijd op het adres verblijft.
Eiser voerde in beroep aan dat hij het merendeel van zijn nachtrust in België doorbrengt en dat een huisgenoot zich niet hoefde in te schrijven. De rechtbank oordeelde dat deze stellingen onvoldoende waren onderbouwd en dat eiser geen bewijs had geleverd om zijn verblijf in België aannemelijk te maken. Ook het beroep werd niet tijdig betwist, maar de rechtbank achtte het beroep wel ontvankelijk omdat het bestreden besluit niet aangetekend was verzonden.
De rechtbank concludeerde dat de boete terecht was opgelegd op grond van artikel 4.17 van de Wet basisregistratie personen (Wet Brp) en dat de hoogte van de boete niet onevenredig was. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep tegen de bestuurlijke boete wegens het niet doen van aangifte van verblijf en adres wordt ongegrond verklaard.