ECLI:NL:RBROT:2021:864
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep gegrond wegens schending Black Box-arrest en overschrijding redelijke termijn bij WOZ-waardebepaling
Eiser, eigenaar van een eengezinstussenwoning in Rotterdam, betwist de WOZ-waarde van zijn woning voor het belastingjaar 2018, vastgesteld op €395.000,-. Hij voert aan dat verweerder niet voldoet aan het Black Box-arrest door onvoldoende informatie te verstrekken over de waarderingsmatrix en vergelijkingsobjecten, waardoor hij zijn bezwaar niet adequaat kan onderbouwen.
De rechtbank oordeelt dat verweerder inderdaad niet alle relevante KOUDV-kenmerken heeft verstrekt, waardoor eiser in een ongelijkwaardige procespositie verkeert. Dit leidt tot vernietiging van het bestreden besluit. Vervolgens beoordeelt de rechtbank of de waarde niet te hoog is vastgesteld en concludeert dat de door verweerder gebruikte vergelijkingsobjecten en de waarderingsmatrix voldoende inzicht bieden en de waarde aannemelijk is.
Daarnaast is de redelijke termijn voor de behandeling van het bezwaar en beroep met ruim 11 maanden overschreden, mede door bijzondere omstandigheden rondom de coronapandemie. De rechtbank kent daarom een immateriële schadevergoeding van €500,- toe. Verder wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten. De rechtsgevolgen van het vernietigde besluit blijven in stand.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, en verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht, proceskosten en een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.