Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
,
1..Procesverloop
- verzoeker met zijn hiervoor genoemde advocaat;
- mr. A. de Bruijne, officier.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Rotterdam
Verzoeker diende een verzoek in tot schadevergoeding op grond van artikel 10:12 lid 3 Wvggz Pro wegens overschrijding van de termijn zoals bedoeld in artikel 5:16 lid 1 Wvggz Pro door de officier van justitie. De termijn van vier weken voor het nemen van een besluit over een zorgmachtiging werd met 62 dagen overschreden.
De rechtbank stelde vast dat verzoeker voldoende aannemelijk had gemaakt dat hij immateriële schade had geleden door de onzekerheid over zijn zorgsituatie, wat hem belemmerde in het maken van toekomstplannen, waaronder zijn wens om schaapsherder in Nieuw-Zeeland te worden. Ondanks dat verzoeker al in een accommodatie verbleef en er een lopende machtiging was tot 11 september 2020, achtte de rechtbank de schade aannemelijk.
De rechtbank paste een laagdrempelige bewijsstandaard toe, gelet op de kwetsbaarheid van de groep en de strekking van de Wvggz. De schadevergoeding werd naar billijkheid vastgesteld op € 10 per dag, wat resulteerde in een totaalbedrag van € 620 voor de 62 dagen termijnoverschrijding.
De Staat werd veroordeeld tot betaling van dit bedrag, met verklaring van uitvoerbaarheid bij voorraad. Het meer of anders verzochte werd afgewezen. Tegen deze beschikking staat hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag.
Uitkomst: De Staat wordt veroordeeld tot betaling van € 620 schadevergoeding wegens overschrijding van de beslistermijn Wvggz.