Eiser was inburgeringsplichtig en had tot 24 september 2018 de tijd om aan deze plicht te voldoen. Verweerder stelde bij besluit van 15 november 2018 vast dat eiser niet binnen de oorspronkelijke termijn aan zijn plicht had voldaan, legde een boete op en gaf een aanvullende termijn van twee jaar.
Eiser verzocht bij brief van 19 december 2019 om verlenging van de inburgeringstermijn met terugwerkende kracht. Dit verzoek werd afgewezen omdat het te laat was ingediend, nadat het besluit van 15 november 2018 in rechte vaststond. De rechtbank verwijst naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State die dit standpunt ondersteunt.
Eiser stelde dat het besluit van 15 november 2018 van rechtswege vervalt bij een verlenging met terugwerkende kracht en dat verweerder het motiveringsbeginsel heeft geschonden. De rechtbank oordeelt echter dat verweerder terecht het verzoek heeft afgewezen vanwege de termijnoverschrijding en dat er geen motiveringsgebrek is.
Het beroep wordt ongegrond verklaard en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.