Verzoekster heeft een verzoek ingediend tot opheffing van haar faillissement, uitgesproken op 31 december 2019, met gelijktijdige toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling. De rechtbank beoordeelt eerst of verzoekster een beroep kan doen op artikel 15b, eerste lid, van de Faillissementswet. Deze bepaling stelt dat het faillissement op eigen aangifte moet zijn uitgesproken of dat de gefailleerde binnen de gestelde termijn geen verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling heeft ingediend.
In deze zaak is het faillissement niet op eigen aangifte van verzoekster uitgesproken. Bovendien heeft verzoekster wel tijdig een verzoek ingediend om toegelaten te worden tot de schuldsaneringsregeling, maar dit verzoek is door de rechtbank afgewezen en het hoger beroep is door het gerechtshof bekrachtigd. Hierdoor voldoet verzoekster niet aan de voorwaarden van artikel 15b, eerste lid, Fw.
De rechtbank verklaart het verzoek daarom niet-ontvankelijk. Wel merkt de rechtbank op dat verzoekster na opheffing van het faillissement een nieuw verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling kan indienen. Het vonnis is uitgesproken op 30 augustus 2021 door rechter M. Aukema.