Eisers ontvingen sinds 2015 bijstand en meldden in november 2018 een erfenis van ruim €31.000. Verweerder herzag daarop het recht op bijstand en vorderde terugbetaling van te veel ontvangen bijstand over een lange periode. De rechtbank oordeelde dat verweerder onjuist had vastgesteld of het vermogen van eisers op de peildatum de vermogensgrens overschreed, omdat de schulden van circa €75.000 niet waren meegewogen.
Verder oordeelde de rechtbank dat bij intrekking van bijstand wegens een vermogenstoeval het actuele vermogen niet hoeft te worden meegewogen, maar als binnen 30 dagen het recht op bijstand terugkeert, moet de intrekking worden gezien als een tijdelijke schorsing. Omdat eisers na 30 dagen vermoedelijk weer recht hadden op bijstand, had verweerder de intrekking moeten beperken tot 30 dagen en daarna opnieuw moeten vaststellen of bijstand verleend kon worden.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit en herroept het primaire besluit voor zover het terugvordering en intrekking betreft. Eisers krijgen met ingang van 4 december 2018 weer bijstand. Verweerder moet het terugvorderingsbedrag over de juiste periode opnieuw berekenen. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.
De rechtbank constateerde ook een schending van de hoorplicht, maar paste deze gelet op het ontbreken van nadeel toe als niet-ontvankelijkheidsgrond. De uitspraak volgt eerdere jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep over de toepassing van de Participatiewet bij vermogenstoenames tijdens bijstand.