Eisers woonden met hun zoon en dochter in een woning die in 2019 werd doorzocht na een verkeerscontrole waarbij bij de zoon cocaïne werd aangetroffen. In de woning en schuur werden 49 ponypacks met in totaal 20,8 gram cocaïne en €800,- contant geld gevonden. Verweerder sloot de woning voor drie maanden op grond van de Opiumwet wegens overtreding.
Eisers voerden aan dat de cocaïne bestemd was voor eigen gebruik van hun zoon en dat zij geen verwijt treft. De rechtbank oordeelde dat de hoeveelheid cocaïne een handelshoeveelheid betreft, mede omdat de zoon verklaarde de drugs met vrienden te delen. Er waren echter geen aanwijzingen voor overlast, geen drugsgerelateerde zaken zoals weegschalen, en geen ‘loop’ naar de woning.
De rechtbank stelde dat verweerder onvoldoende had gemotiveerd waarom sluiting noodzakelijk en evenredig was. Daarbij speelde mee dat de zoon inmiddels naar Turkije was vertrokken, er geen incidenten meer waren, en eisers door de sluiting hun woning en huurrecht waren kwijtgeraakt. Eisers konden worden verweten onvoldoende toezicht te houden, maar dit rechtvaardigde geen sluiting zonder betere motivering.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit en droeg verweerder op binnen acht weken een nieuw besluit te nemen. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.