ECLI:NL:RBROT:2021:9008

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
21 september 2021
Publicatiedatum
17 september 2021
Zaaknummer
ROT 20/5123 en ROT 20/5588
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 19b AOWArt. 438 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen beslaglegging en opschorting AOW-uitkering

Eiser heeft beroep ingesteld tegen twee besluiten van de Sociale verzekeringsbank (SVB) betreffende derdenbeslag op zijn AOW-uitkering en de opschorting van deze uitkering. Het eerste besluit handhaaft het beslag, het tweede verklaart het bezwaar tegen opschorting niet-ontvankelijk.

De rechtbank overweegt dat de SVB verplicht is het beslag van de gerechtsdeurwaarder uit te voeren zonder de geldigheid ervan te toetsen; dat is de taak van de burgerlijke rechter. Eiser voert aan dat het beslag onjuist is omdat hij geen zorgtoeslagen heeft aangevraagd, maar dit is volgens vaste rechtspraak geen grond voor bestuursrechtelijke toetsing.

Verder is het bezwaar tegen de opschorting van de uitkering niet-ontvankelijk omdat de betaling inmiddels is hervat en eiser geen aantoonbaar procesbelang heeft. De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond en wijst proceskostenveroordeling af.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst proceskostenveroordeling af.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht
zaaknummers: ROT 20/5123 en ROT 20/5588
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 september 2021 als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht in de zaak tussen

[Naam], te [Plaats], eiser,

en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 24 september 2020 (bestreden besluit 1) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen drie besluiten van 4 februari 2020, 9 maart 2020 en 12 augustus 2020, die zien op de tenuitvoerlegging van derdenbeslag op de uitkering die eiser ontvangt op basis van de Algemene Ouderdomswet (AOW), ongegrond verklaard.
Bij besluit van eveneens 24 september 2020 (bestreden besluit 2) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het besluit van 27 februari 2020, waarbij de betaling van de AOW-uitkering is opgeschort, niet-ontvankelijk verklaard.
Eiser heeft tegen de bestreden besluiten 1 en 2 beroep ingesteld.
Gelet op het beroep van eiser op betalingsonmacht in andere zaken heeft de griffier er vooralsnog van afgezien griffierecht in deze zaken te heffen.

Overwegingen

1. De rechtbank doet uitspraak zonder zitting.
2. De rechtbank stelt bij haar beoordeling het volgende voorop. Hoewel de rechtbank in deze zaken – anders dan in andere recente zaken van eiser (bijvoorbeeld ECLI:NL:RBROT:2021:620) – niet uit zal gaan van misbruik van recht als reden om geen ontheffing van het griffierecht te verlenen, is daarmee niet gegeven dat eiser een beroep toekomt op betalingsonmacht. Daarvoor is vereist dat in de voorliggende zaken daarop een beroep wordt gedaan. Dit beroep is achterwege gebleven omdat de griffier geen griffierechtnota heeft doen uitgaan. Omdat niet op voorhand onaannemelijk is dat een dergelijk beroep zou worden gehonoreerd en gelet op het tijdsverloop sinds de indiening van de beroepen zal de rechtbank er mede uit een oogpunt van proceseconomie veronderstellenderwijs van uitgaan dat eiser in beide zaken een beroep toekomt op betalingsonmacht (ECLI:NL:RBROT:2018:5646). Eiser kan hier geen verwachtingen aan ontlenen ten aanzien van andere zaken die hij bij de bestuursrechter heeft ingediend of nog zal indienen.
3. Met betrekking tot de uitvoeringsbesluiten die verweerder heeft genomen inzake derdenbeslag op zijn AOW-uitkering geldt dat verweerder, zoals bij bestreden besluit 1 is overwogen, verplicht is om het derdenbeslag dat de gerechtsdeurwaarder op de uitkering heeft gelegd uit te voeren en dat uitsluitend de burgerlijke rechter bevoegd is om te beoordelen of er terecht en juist beslag is gelegd. Verweerder heeft daarbij aangegeven dat rekening is gehouden met de beslagvrije voet zoals de gerechtsdeurwaarder aanvankelijk bij de beslaglegging heeft meegedeeld aan verweerder en later met een verhoogde beslagvrije voet in overeenstemming met de mededeling van de gerechtsdeurwaarder nadien. Verweerder heeft verder overwogen dat het beslag tijdelijk was gestaakt vanwege een opschorting van de uitkering en dat na hervatting het beslag is gecontinueerd op basis van dezelfde beslagvrije voet.
4. Wat eiser in beroep tegen bestreden besluit 1 heeft aangevoerd komt er in feite op neer dat de beslaglegging onjuist was omdat eiser geen zorgtoeslagen had aangevraagd en uit dien hoofde geen vordering op hem zou zijn ontstaan. Volgens vaste rechtspraak is de derde beslagene, in dit geval verweerder, gehouden volledige medewerking aan het beslag te geven zonder de geldigheid en de omvang daarvan te mogen beoordelen. Ook de bestuursrechter dient bij de beoordeling van een betalingsbeslissing ter uitvoering van een gelegd beslag de geldigheid van dat beslag als een gegeven te beschouwen en zijn toetsing kan niet verder strekken dan de beantwoording van de vraag of het bestuursorgaan bij het nemen van de betalingsbeslissing is gebleven binnen het kader van het beslag (bijv. ECLI:NL:CRVB:2017:2167 en ECLI:NL:CRVB:2019:2221). De rechtbank voegt hier aan toe dat verzet tegen de beslaglegging uitsluitend kan worden ingesteld bij de burgerlijke rechter (vgl. ECLI:NL:CRVB:2016:3883; zie artikel 438 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering). Gelet hierop is het beroep kennelijk ongegrond.
5. Verweerder heeft bij bestreden besluit 2 geoordeeld dat eiser geen procesbelang heeft bij zijn bezwaar omdat de betaling van de uitkering, die op grond van artikel 19b van de AOW tijdelijk was opgeschort, weer was hersteld. Naar vaste rechtspraak kan in een dergelijk geval waarin de opschorting inmiddels teniet is gedaan onder meer procesbelang worden aangenomen indien gesteld en niet voorshands onaannemelijk is dat schade is geleden door de tijdelijke opschorting van de uitkering (bijv. ECLI:NL:CRVB:2005:AU8023 en ECLI:NL:CRVB:2021:892). Eiser heeft tegen bestreden besluit 2 dezelfde gronden aangevoerd als tegen bestreden besluit 1, namelijk dat ten onrechte beslag is gelegd op zijn uitkering. De gronden zien derhalve op een ander besluit. Omdat hier niet uit kan volgen dat eiser enig belang had bij zijn bezwaar nu de betalingen vrijwel onmiddellijk waren hervat, is de rechtbank van oordeel dat ook dit beroep kennelijk ongegrond is.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep in beide zaken ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Bedee, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Stijnen, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 21 september 2021.
De griffier en de rechter zijn verhinderd de uitspraak te ondertekenen
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij de rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.