Verzoekster, arbeidsongeschikt verklaard en in het bezit van een Wajong-uitkering, heeft een schuldregeling aangeboden waarbij 18,19% van de totale schuldenlast aan schuldeisers wordt betaald via een saneringskrediet. Eén schuldeiser, met een vordering van 99,7% van de totale schuld, weigert in te stemmen omdat hij het bedrag te laag vindt en meent dat de schuld niet te goeder trouw is ontstaan.
De rechtbank stelt vast dat verzoekster geen betaald werk kan verrichten en dat haar inkomen beperkt is tot de Wajong-uitkering. De aangeboden regeling is getoetst door een onafhankelijke partij en is het uiterste wat verzoekster kan bieden. De schuldenlast is problematisch omdat de schuld ondanks een betalingsregeling blijft toenemen en afbetaling binnen tien jaar niet realistisch is.
De rechtbank weegt het belang van verzoekster en de instemmende schuldeiser zwaarder dan dat van de weigeraar, mede omdat het dwangakkoord een beter resultaat biedt dan een wettelijke schuldsaneringsregeling. Het verzoek om dwangakkoord wordt toegewezen, de weigeraar wordt veroordeeld in de proceskosten en het subsidiaire verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen.