ECLI:NL:RBROT:2021:941

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
4 februari 2021
Publicatiedatum
9 februari 2021
Zaaknummer
10/660374-18
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak schuldwitwassen wegens ontbreken redelijk vermoeden illegale herkomst geld

De rechtbank Rotterdam behandelde de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van schuldwitwassen door gebruik te maken van geld dat door een medeverdachte werd uitgegeven aan hun bruiloft en een boottrip. De officier van justitie stelde dat verdachte redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het geld geen legale herkomst had en eiste een voorwaardelijke taakstraf.

Tijdens de terechtzitting bleek dat verdachte en medeverdachte in november 2015 trouwden en pas daarna gingen samenwonen. De medeverdachte had een goedbetaalde baan gehad en een financiële vergoeding ontvangen na beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst. Verdachte had geen inzage in zijn financiën en vertrouwde op zijn financiële beheer. De uitgaven voor de bruiloft en boottrip waren niet exorbitant en er waren geen objectieve aanwijzingen dat het geld uit een misdrijf afkomstig was.

De rechtbank oordeelde dat verdachte niet redelijkerwijs had hoeven vermoeden dat het geld illegaal was en dat het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend was bewezen. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van schuldwitwassen.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van schuldwitwassen wegens ontbreken van redelijk vermoeden dat het geld uit een misdrijf afkomstig was.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3
Parketnummer: 10/660374-18
Datum uitspraak: 4 februari 2021
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[naam verdachte],
geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres verdachte] .
Raadsman mr. S. Visser, advocaat te Rotterdam.

1..Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 21 januari 2021.

2..Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3..Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. B.M. van Heemst heeft gevorderd:
  • bewezenverklaring van het ten laste gelegde;
  • veroordeling van de verdachte tot een geheel voorwaardelijke taakstraf van 80 uur, subsidiair 40 dagen vervangende hechtenis.

4..Vrijspraak

4.1.
Standpunt officier van justitie
De verdachte had, gelet op haar opleidingsniveau en het uitgavenpatroon van de medeverdachte, redelijkerwijs moeten vermoeden dat het geld dat door hem werd uitgegeven aan hun bruiloft in Blijdorp en een boottrip naar Newcastle geen legale herkomst had. Door van die bedragen gebruik te maken heeft zij zich schuldig gemaakt aan schuldwitwassen en kan het ten laste gelegde worden bewezen.
4.2.
Beoordeling
Uit het dossier en de behandeling ter terechtzitting blijkt dat de verdachte in november 2015 met de medeverdachte is getrouwd. De medeverdachte is ruim tien jaar ouder dan zij en had een goedbetaalde baan gehad. Voor het huwelijk woonden zij nog niet samen, pas na de huwelijksvoltrekking zijn zij gaan samenwonen in de koopwoning van de medeverdachte. De verdachte en de medeverdachte hadden ieder hun eigen bankrekening. De verdachte had geen inzage in de financien van de medeverdachte en zij liet de boekhouding grotendeels over aan hem omdat hij financieel geschoold was. Voorts verkeerde de verdachte in de veronderstelling dat de medeverdachte in voorgaande jaren goed had kunnen sparen en dat hij bij de beeindiging van zijn arbeidsovereenkomst een financiele vergoeding had ontvangen.
Namens de verdachte is aangevoerd dat de offerte van Diergaarde Blijdorp voor hun bruiloft, mede gelet op de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst, is besproken. De medeverdachte zou hebben gezegd dat hij dat bedrag kon betalen. Voor de boottocht naar Newcastle, Engeland is in november 2016 een bedrag van € 465,- betaald. De medeverdachte werkte op dat moment parttime en genoot een uitkering ter hoogte van 70% van zijn laatstverdiende loon.
Gelet op de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden had de verdachte naar het oordeel van de rechtbank niet redelijkerwijs moeten vermoeden dat de door de medeverdachte betaalde bedragen geen legale herkomst hadden. Immers waren de tenlastegelegde uitgaven niet dusdanig exorbitant dat de verdachte om reeds die reden hier vraagtekens bij had moeten plaatsen. Het dossier bevat verder onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat de verdachte redelijkerwijs had moeten vermoeden dat voor deze uitgaven (mede) van misdrijf afkomstige gelden waren aangewend. Van objectieve aanwijzingen op basis waarvan de verdachte zich ondubbelzinnig had moeten vergewissen van de legale herkomst van de uitgegeven geldbedragen, is niet gebleken.
4.3.
Conclusie
Het ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

5..Bijlage

De in dit vonnis genoemde bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

6..Beslissing

De rechtbank:
verklaart niet bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. I.W.M. Laurijssens, voorzitter,
en mrs. D.F. Smulders en N.M. Ketelaar, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J.G. Polke, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.
De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
zij in of omstreeks deperiode van 1 november 2015 tot en met 19 mei 2017 te Rotterdam, althans in Nederland, (een) geldbedrag(en) voorhanden heeft gehad en/of van (een) geldbedrag(en) gebruik heeft gemaakt (door onder meer een boottrip naar Newcastle ter waarde van 465 euro en/of een bruiloftspartij ter waarde van 8485,27 euro te betalen), terwijl zij redelijkerwijs moest vermoeden dat dat/die geldbedrag(en) geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf,