De rechtbank Rotterdam behandelde de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van schuldwitwassen door gebruik te maken van geld dat door een medeverdachte werd uitgegeven aan hun bruiloft en een boottrip. De officier van justitie stelde dat verdachte redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het geld geen legale herkomst had en eiste een voorwaardelijke taakstraf.
Tijdens de terechtzitting bleek dat verdachte en medeverdachte in november 2015 trouwden en pas daarna gingen samenwonen. De medeverdachte had een goedbetaalde baan gehad en een financiële vergoeding ontvangen na beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst. Verdachte had geen inzage in zijn financiën en vertrouwde op zijn financiële beheer. De uitgaven voor de bruiloft en boottrip waren niet exorbitant en er waren geen objectieve aanwijzingen dat het geld uit een misdrijf afkomstig was.
De rechtbank oordeelde dat verdachte niet redelijkerwijs had hoeven vermoeden dat het geld illegaal was en dat het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend was bewezen. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van schuldwitwassen.