Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
.
Procesverloop
.
Rechtbank Rotterdam
In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de algemeen directeur van het CBR aan eiser een Educatieve Maatregel Gedrag en verkeer (EMG) opgelegd naar aanleiding van een politieproces-verbaal van 19 mei 2020. Dit proces-verbaal bevatte constateringen over het rijgedrag van eiser, waaronder slingerend rijden en onnodig remmen en stoppen op een blauwe quad.
Eiser voerde aan dat het proces-verbaal onvolledig was omdat het geen rekening hield met de aanwezigheid van verkeersdrempels en de lage snelheid waarmee hij reed, waardoor het vermoeden van onvoldoende rijvaardigheid niet gerechtvaardigd zou zijn. De rechtbank stelde vast dat het proces-verbaal inderdaad op relevante punten incompleet was en dat deze omstandigheden essentieel zijn voor de beoordeling van het vermoeden van ongeschiktheid.
De rechtbank benadrukte dat het bestuursorgaan in beginsel mag uitgaan van de juistheid van een proces-verbaal, tenzij er objectieve redenen zijn om daaraan te twijfelen. Hier ontbrak echter een nadere motivering van verweerder om het gebrek in het proces-verbaal te compenseren.
Daarom oordeelde de rechtbank dat het bestreden besluit niet stand kan houden wegens een motiveringsgebrek en stelde verweerder in de gelegenheid dit gebrek binnen zes weken te herstellen. De procedure wordt aangehouden totdat het besluit is hersteld en eiser daarop kan reageren. De uitspraak is een tussenuitspraak en er is nog geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Het beroep is gegrond verklaard wegens motiveringsgebrek en verweerder krijgt zes weken om het besluit te herstellen.