ECLI:NL:RBROT:2021:9594
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel wegens onvoldoende aannemelijkheid
De rechtbank Rotterdam behandelde op 30 september 2021 een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel tegen een veroordeelde die eerder was veroordeeld voor deelname aan een criminele organisatie en overtreding van de Opiumwet. De officier van justitie vorderde ontneming tot een maximum van €42.231,42, gebaseerd op een berekening van het vermeende voordeel over de periode van 1 januari 2018 tot en met 10 december 2019.
De berekening hield rekening met de waarde van bezittingen, uitgaven, contante verschillen en vermeende mede-eigendom van twee horecagelegenheden, waarbij de helft van de uitgaven van deze cafés aan de veroordeelde werd toegerekend. De rechtbank oordeelde echter dat deze periode veel langer was dan de periode van de bewezen strafbare feiten en dat onvoldoende bewijs bestond dat de veroordeelde buiten die periode inkomsten uit strafbare feiten had genoten.
Daarnaast werd de vordering grotendeels gebaseerd op verdenkingen van witwassen waarvoor de veroordeelde niet was vervolgd. De rechtbank nam ook de verklaring van de veroordeelde mee dat hij de uitgaven grotendeels niet had gedaan en dat hij zich uit grootspraak als eigenaar van de cafés had voorgedaan. Gezien deze omstandigheden en de verbeurdverklaring van de Volkswagen Golf concludeerde de rechtbank dat de vordering onvoldoende aannemelijk was gemaakt en wees deze af.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel af wegens onvoldoende aannemelijkheid.