Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 oktober 2021 in de zaak tussen
[naam verzoekster], te [woonplaats verzoekster], verzoekster
(gemachtigde: mr. A. Zonneveld).
Rechtbank Rotterdam
Verzoekster heeft op 28 mei 2021 een aanvraag voor een bijstandsuitkering ingediend bij het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam. Deze aanvraag is op 10 augustus 2021 afgewezen omdat verzoekster onvoldoende duidelijkheid kon verschaffen over haar woon- en verblijfplaats. Ondanks herhaalde verzoeken per e-mail, telefoon en brief heeft verzoekster geen volledige informatie kunnen aanleveren, zoals gevraagde slaaplijsten die relevant zijn voor de beoordeling van haar recht op bijstand.
Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit en tevens een voorlopige voorziening gevraagd. Tijdens de zitting op 29 september 2021 heeft de voorzieningenrechter vastgesteld dat verzoekster wisselende verklaringen gaf over haar verblijfplaats en slechts een slaaplijst over een beperkte periode heeft overgelegd, die niet relevant is voor de aanvraagperiode. De voorzieningenrechter benadrukt dat de bewijslast omtrent de bijstandbehoevendheid in beginsel bij de aanvrager ligt en dat het niet voldoen aan de inlichtingenplicht een geldige grond is voor weigering van bijstand.
De voorzieningenrechter oordeelt dat verweerder terecht de bijstandsaanvraag heeft afgewezen en dat er geen aanleiding bestaat om een voorlopige voorziening te treffen. Verzoekster kan in bezwaar alsnog de benodigde informatie aanleveren. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen zonder proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de afwijzing van de bijstandsuitkering wordt afgewezen.