ECLI:NL:CRVB:2021:2119
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsaanvraag wegens onvoldoende verklaring contante stortingen
Appellant vroeg op 9 mei 2018 bijstand aan op grond van de Participatiewet. Het college weigerde de bijstand omdat appellant contante stortingen op zijn bankrekening had gedaan die hoger waren dan de contante opnames, zonder voldoende verklaring voor deze discrepantie.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en appellant ging in hoger beroep. De Raad beoordeelde dat appellant wisselende verklaringen gaf over de herkomst van de gestorte bedragen en geen concreet bewijs leverde dat deze afkomstig waren uit eerder opgenomen contant geld.
De Raad stelde vast dat het totaalbedrag aan stortingen hoger was dan de opnames en dat er geen direct verband was tussen beide. Hierdoor kon het recht op bijstand niet worden vastgesteld. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
De beslissing werd genomen door rechter W.F. Claessens en uitgesproken op 17 augustus 2021.
Uitkomst: De bijstandsaanvraag wordt afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van de herkomst van contante stortingen.