De rechtbank Rotterdam behandelde het verzoek van de officier van justitie tot het verlenen van een zorgmachtiging op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) voor betrokkene, die lijdt aan schizofrenie. Betrokkene vertoonde in het verleden gedrag dat leidde tot ernstig nadeel en maatschappelijke teloorgang, maar momenteel gaat het goed met haar; zij heeft een woning en werk.
De rechtbank overwoog dat de criteria voor een zorgmachtiging waren vervuld, namelijk een psychische stoornis die leidt tot ernstig nadeel en het ontbreken van vrijwilligheid. De advocaat van betrokkene voerde aan dat betrokkene wilsbekwaam is en dat haar wensen ten aanzien van verplichte zorg gerespecteerd moeten worden, maar de rechtbank stelde dat dit alleen ziet op de toepassing van zorg, niet op de machtiging zelf.
De rechtbank beperkte de verplichte zorg tot ambulante zorg om betrokkene tijdens de afbouw van haar medicatie onder toezicht te houden, omdat zij vrijwillig meewerkt en de laatste decompensatie lang geleden was. Andere vormen van verplichte zorg werden niet noodzakelijk geacht. De machtiging werd verleend voor de duur van twaalf maanden om het risico op ernstig nadeel te minimaliseren.