12.3.Doordat het Aanwijzingsbesluit vooralsnog buiten toepassing moet blijven ten aanzien van de niet als diefstalgevoelig aan te merken goederen wordt het “doorlopend en een door of namens de burgemeester gewaarmerkt register” als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit en artikel 2:67, eerste lid, van de APV vooralsnog beperkt tot de genoemde diefstalgevoelige goederen. Dit heeft tot gevolg dat door eiseressen waarop het Aanwijzingsbesluit van toepassing is slechts voldaan kan en behoeft te worden aan het bepaalde in artikel 437, eerste lid, onder a, Sr en in artikel 2:67, eerste lid, van de APV voor zover het betreft diefstalgevoelige goederen. Dit heeft mede tot gevolg dat, nu het DOR ten aanzien van eiseressen nog slechts betrekking heeft op diefstalgevoelige goederen, aan de vrijstellingsbesluiten waarbij voor bepaalde perioden vrijstelling is verleend voor andere dan diefstalgevoelige goederen, de grondslag is ontvallen. Voor deze andere goederen geldt immers voor eiseressen vooralsnog geen registratieverplichting door middel van het DOR. Voor de diefstalgevoelige goederen heeft verweerder geen vrijstelling verleend voor de verkoopregistratie. Nu eiseressen tegen dat onderdeel van de vrijstellingsbesluiten – naar ter zitting is gebleken – geen bezwaren hebben, kunnen de vrijstellingsbesluiten in zoverre in stand blijven.
13. De beroepen zijn gegrond, de bestreden besluiten dienen te worden vernietigd. De vrijstellingsbesluiten I en II dienen te worden herroepen voor zover vrijstelling is verleend van de verkoopregistratie van niet-diefstalgevoelige goederen, nu daaraan de grondslag is komen te ontvallen.
14. Omdat de rechtbank de beroepen gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseressen het door hen betaalde griffierecht (4 x € 354,- in de zaken ROT 20/1140, ROT 20/1155, ROT 20/1156, ROT 20/1157, en 4 x € 360,- in de zaken ROT 21/717, ROT 21/718, ROT 21/719, ROT 21/720) vergoedt.
15. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseressen gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 3.415,50 (1 punt voor het indienen van de beroepschriften in de zaken met zaaknummer ROT 20/1140, ROT 20/1155, ROT 20/1156, ROT 20/1157 en 1 punt voor het indienen van de beroepschriften in de zaken met zaaknummer ROT 21/717, ROT 21/718, ROT 21/719, ROT 21/720 en 1 punt voor het verschijnen ter zitting in alle zaken met een waarde per punt van € 759,-). Hierbij is van belang dat sprake is van acht samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Nu sprake is van vier of meer samenhangende zaken dient daaraan een wegingsfactor 1,5 te worden toegekend. Omdat in de bezwaarfase daarom niet is verzocht, bestaat geen aanleiding eventuele kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in die fase te vergoeden.