Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2022:10340

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
28 oktober 2022
Publicatiedatum
29 november 2022
Zaaknummer
9472485 CV EXPL 21-32517
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119a BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing vordering betaling op grond van overeenkomst van opdracht wegens niet-geleverd bewijs door gedaagde

In deze civiele procedure vordert eiseres betaling van een openstaande hoofdsom van €1.860,38 op grond van een overeenkomst van opdracht. Gedaagde stelde dat hij €500,- contant had betaald tegen finale kwijting, maar kon dit niet bewijzen ondanks daartoe gegeven gelegenheid.

De kantonrechter oordeelde dat eiseres haar bewijsopdracht had voldaan en dat gedaagde zijn verweer faalde door het ontbreken van bewijs. Daarom werd de hoofdsom toegewezen, evenals de buitengerechtelijke incassokosten en de wettelijke handelsrente over de hoofdsom vanaf 20 september 2021 tot volledige betaling.

Daarnaast werd gedaagde veroordeeld tot betaling van de proceskosten aan de zijde van eiseres, vastgesteld op €1.081,51, en werd het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het meer of anders gevorderde werd afgewezen.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van €2.441,01 inclusief wettelijke rente en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 9472485 CV EXPL 21-32517
datum uitspraak: 28 oktober 2022
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
de buitenlandse rechtsvorm Limited Liability Partnership (LLP),
[eiseres01],tevens handelende onder de naam [handelsnaam01] ,
vestigingsplaats: [vestigingsplaats01] ,
eiseres,
gemachtigde: Bill Incasso B.V.,
tegen:
[gedaagde01] ,h.o.d.n. [handelsnaam02] ,
woonplaats: [woonplaats01] ,
gedaagde,
die zelf procedeert.
De partijen worden hierna ‘ [eiseres01] ’ en ‘ [gedaagde01] ’ genoemd.

1..De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
- het tussenvonnis van 19 augustus 2022 en de daarin genoemde stukken.

2..De verdere beoordeling

tussenvonnis van 19 augustus 2022
2.1.
In het tussenvonnis van 19 augustus 2022 is allereerst geoordeeld dat [eiseres01] heeft voldaan aan haar bewijsopdracht en dat [gedaagde01] hierdoor – in beginsel – moet worden veroordeeld tot betaling van de gevorderde hoofdsom. [gedaagde01] heeft echter verweer gevoerd door te stellen dat hij daadwerkelijk € 500,- contant aan [eiseres01] heeft betaald om een eind te maken aan de discussie tussen partijen rond de facturen, dus tegen finale kwijting. Omdat [eiseres01] deze stelling gemotiveerd heeft betwist, is [gedaagde01] vervolgens in de gelegenheid gesteld om het door hem gestelde te bewijzen.
vordering hoofdsom [eiseres01] toegewezen
2.2.
[gedaagde01] heeft geen gebruik gemaakt van de aan hem geboden gelegenheid om bewijs te leveren. [gedaagde01] heeft hiermee niet voldaan aan zijn bewijsopdracht. Zijn verweer zal dan ook worden verworpen en de door [eiseres01] gevorderde hoofdsom (€ 1.860,38) zal worden toegewezen.
buitengerechtelijke incassokosten en rente
2.3.
De buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen, omdat aan alle voorwaarden is voldaan om een vergoeding voor deze kosten te krijgen. Gelet het door [eiseres01] gestelde gaat de kantonrechter ervan uit dat [eiseres01] de wettelijke handelsrente vordert op grond van artikel 6:119a BW in plaats van het genoemde artikel 6:119 BW Pro. Omdat [eiseres01] niet heeft gesteld op grond waarvan [gedaagde01] wettelijke rente verschuldigd is over de buitengerechtelijke incassokosten en over de reeds vervallen rente, zal dit deel van de vordering worden afgewezen. De wettelijke rente ten aanzien van de hoofdsom zal worden toegewezen.
proceskosten
2.4.
[gedaagde01] krijgt ongelijk en moet daarom de proceskosten betalen. De kantonrechter stelt deze kosten aan de kant van [eiseres01] tot vandaag vast op € 107,01 aan dagvaardingskosten, € 507,- aan griffierecht en € 467,50 aan salaris voor de gemachtigde (2,5 punten x € 187,- tarief). Dit is totaal € 1.081,51. Voor kosten die [eiseres01] maakt na deze uitspraak moet [gedaagde01] ook een bedrag betalen van € 98,50 (1/2 punt x € 187,- tarief met maximum € 124,-). Hier kan nog een bedrag bijkomen voor de betekening van de uitspraak. In dit vonnis hoeft hierover geen aparte beslissing te worden genomen (ECLI:NL:HR:2022:853).
uitvoerbaarheid bij voorraad
2.5.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

3..De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde01] om aan [eiseres01] te betalen € 2.441,01, met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119a BW over een bedrag van € 1.860,38 vanaf 20 september 2021 tot de dag van volledige betaling;
3.2.
veroordeelt [gedaagde01] in de proceskosten, aan de kant van [eiseres01] tot vandaag vastgesteld op € 1.081,51;
3.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. E. van Schouten en in het openbaar uitgesproken.
44236