Eiser heeft in juli 2021 een bedrag van € 11.000,- uitgeleend aan een werknemer van zijn bedrijf, met een afgesproken terugbetaling inclusief rente binnen enkele weken. Na uitblijven van betaling werd een vaststellingsovereenkomst gesloten met gespreide aflossingen, die ook niet werden nagekomen. De werknemer was in dienst bij een hoveniersbedrijf waarvan eiser de aandelen bezit, en de bewindvoerder ZEKER trad op vanaf januari 2022.
ZEKER stelde dat de overeenkomsten vernietigbaar dan wel nietig zijn wegens niet-naleving van wettelijke informatieverplichtingen en strijd met de goede zeden vanwege buitensporige rente. De rechtbank oordeelde dat het hier om een persoonlijke lening ging, niet om een kredietovereenkomst in de zin van de Wft, en verwierp het verweer van niet-naleving informatieplicht.
De rechtbank stelde vast dat de overeengekomen rente van € 4.500,- over € 11.000,- buitensporig was en dat de gezagsverhouding tussen eiser als werkgever en werknemer de situatie vertroebelde. Dit leidde tot nietigheid van de leningsovereenkomst en de vaststellingsovereenkomst wegens strijd met de goede zeden.
Omdat eiser het geld zonder rechtsgrond had verstrekt, moest ZEKER het bedrag van € 11.000,- terugbetalen, verminderd met reeds verrichte betalingen en inhoudingen. De vordering tot vergoeding van overige kosten werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. ZEKER werd veroordeeld in de proceskosten en het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.