Eiseres maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde van haar onroerende zaak, waarbij verweerder de waarde vaststelde op €230.000,- na correctie van een eerdere waarde. Tijdens de hoorzitting werden 11 bezwaarschriften in circa 39 minuten behandeld. Eiseres betwistte de hoogte van de proceskostenvergoeding, die verweerder had gematigd tot 0,5 punt voor de hoorzitting.
De rechtbank overweegt dat de forfaitaire regeling uit het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) leidend is en dat bijzondere omstandigheden voor matiging niet zijn aangetoond. De hoorzitting was kort, maar er was slechts één gegrond bezwaar, en het ontbreken van een hoorverslag verhindert een andere beoordeling. De berekening van een onredelijk hoog uurtarief door verweerder doet afbreuk aan het forfaitaire karakter.
De rechtbank veroordeelt verweerder tot een volledige vergoeding van 1 punt voor de hoorzitting en 1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, met een waarde per punt van €269,-. Verweerder moet een aanvullende vergoeding van €140,50 betalen en het griffierecht van €49,- vergoeden. Tevens wordt verweerder veroordeeld in de proceskosten van de beroepsfase. Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd voor zover het de proceskostenvergoeding betreft.