Art. 224 lid 1 RvArt. 224 lid 2 RvArt. 6:51 lid 1 BWArt. 6:51 lid 2 BWArt. 13 Wet griffierechten burgerlijke zaken
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vordering tot zekerheidstelling proceskosten in civiele procedure over vervuilde bunkerolie
In deze civiele procedure vordert ST Shipping dat Lukoil aansprakelijk wordt gesteld voor schade veroorzaakt door vervuilde bunkerolie geleverd aan een gecharterd schip. Lukoil vordert in een incident zekerheidstelling voor haar proceskosten, voorlopig begroot op €20.516,00.
De rechtbank oordeelt dat ST Shipping, als partij zonder woonplaats in Nederland, verplicht is zekerheid te stellen voor de proceskosten van Lukoil op grond van artikel 224 lid 1 RvPro. De hoogte van de zekerheid wordt vastgesteld op €16.628,56, inclusief griffierecht, advocaatkosten en een opslag van 16%.
De rechtbank bepaalt dat de zekerheidstelling moet plaatsvinden via een bankgarantie van een Nederlandse bank, aangezien de voorgestelde bankgarantie door International Sureties niet voldoet aan de eisen. Als alternatief kan het bedrag worden gedeponeerd op de derdengeldrekening van de advocaat van Lukoil. ST Shipping wordt veroordeeld in de kosten van het incident en gewaarschuwd dat het niet stellen van zekerheid leidt tot niet-ontvankelijkheid in de hoofdzaak.
De zaak wordt verwezen naar de rol van 14 december 2022 voor verdere behandeling afhankelijk van het stellen van zekerheid. De veroordeling wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: ST Shipping wordt veroordeeld tot het stellen van zekerheid voor proceskosten van €16.628,56 middels bankgarantie of depot binnen vier weken onder dreiging van niet-ontvankelijkheid.
Uitspraak
vonnis
RECHTBANK ROTTERDAM
Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/634400 / HA ZA 22-190
Vonnis in incident van 2 november 2022
in de zaak van
de rechtspersoon naar het recht van de Republiek Singapore
ST SHIPPING & TRANSPORT PTE LTD,
gevestigd te Singapore, Republiek Singapore,
eiseres in de hoofdzaak,
verweerster in het incident,
advocaat mr. J.J.O. Zandt te Amsterdam,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
LUKOIL BENELUX B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
gedaagde in de hoofdzaak,
eiseres in het incident,
advocaat mr. P.J. Hoepel te Rotterdam.
Partijen zullen hierna ST Shipping en Lukoil genoemd worden.
1.De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 15 juli 2020 om te verschijnen ter terechtzitting op 2 maart 2022, met producties;
de incidentele conclusie tot zekerheidstelling;
de conclusie van antwoord in incident tot zekerheidstelling, tevens houdende akte wijziging van eis (in conventie).
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
2.De vordering in de hoofdzaak
2.1.
ST Shipping vordert na vermindering van eis in de hoofdzaak – verkort weergegeven – dat de rechtbank voor recht zal verklaren dat Lukoil aansprakelijk is voor het bedrag dat ST Shipping aan scheepseigenaren van een door ST Shipping gecharterd schip (m.v. [naam schip01] , hierna: ‘het schip’) moet betalen met betrekking tot de vordering van die scheepseigenaren voor schade die is veroorzaakt door vervuilde bunkerolie die door Lukoil aan het schip is geleverd, en daarnaast dat Lukoil wordt veroordeeld tot betaling van € 1.000.000,00 aan ST Shipping, te vermeerderen met wettelijke rente, met veroordeling van Lukoil in de proceskosten.
3.Het geschil in het incident
3.1.
Lukoil vordert in het incident – kort gezegd – dat de rechtbank ST Shipping veroordeelt tot het stellen van zekerheid voor de proceskosten ten gunste van Lukoil, voorlopig te begroten op € 20.516,00 door middel van een bankgarantie van een eerste klas Nederlandse bank ter hoogte van dit bedrag, binnen vier weken na dit vonnis op straffe van niet-ontvankelijkheid in de hoofdzaak.
3.2.
ST Shipping is bereid om zekerheid te stellen door afgifte van een bankgarantie door International Sureties namens Lloyds Underwriters. Zij voert aan dat de hoogte van de proceskosten waartoe door haar zekerheid dient te worden gesteld, voorlopig dient te worden begroot op € 11.733,00, welk bedrag is gebaseerd op de gewijzigde eis in de hoofdzaak en één procespunt.
4.De beoordeling in het incident
Inleiding
4.1.
Op de voet van artikel 224 lid 1 RvPro is een partij zonder woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland op vordering van de wederpartij verplicht zekerheid te stellen voor de proceskosten en de schadevergoeding tot betaling waarvan hij zou kunnen worden veroordeeld. De strekking van artikel 224 RvPro is te voorkomen dat een in het gelijk gestelde gedaagde partij wordt geconfronteerd met oninbaarheid van een proceskostenveroordeling, als gevolg van het ontbreken van de mogelijkheid tot tenuitvoerlegging daarvan in het land waar de eisende partij zijn woonplaats heeft.
4.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat ST Shipping geen woon- of gewone verblijfplaats in de zin van artikel 224 lid 1 RvPro heeft in Nederland. Verder is niet gesteld of gebleken dat de uitzonderingsgronden van artikel 224 lid 2 RvPro zich voordoen. ST Shipping is dan ook verplicht tot het stellen van zekerheid voor de door Lukoil gemaakte en te maken proceskosten.
Hoogte van de zekerheid
4.3.
Ten aanzien van het bedrag waarvoor ST Shipping zekerheid moet stellen, oordeelt de rechtbank als volgt.
4.3.1.
Lukoil heeft in de hoofdzaak een bedrag van € 8.519,00 aan griffierecht betaald. Het griffierecht wordt niet verminderd als de eis wordt verminderd (artikel 13 vanPro de Wet griffierechten burgerlijke zaken) en wordt dus als geheel betrokken in de zekerheidstelling.
4.3.2.
Voor wat betreft het salaris van de advocaat gaat de rechtbank uit van twee punten voor de hoofdzaak – één voor de conclusie van antwoord en één voor de mondelinge behandeling. Voor het geval de procedure een complex verloop zou krijgen, staat het Lukoil vrij om lopende de hoofdzaak op grond van artikel 224 RvPro aanvullende zekerheid te vragen.
4.3.3.
De in de hoofdzaak gevorderde hoofdsom bedraagt € 1.000.000,00. De rechtbank zal daarom zekerheidstelling baseren op liquidatietarief VII (€ 3.214,00).
4.3.4.
De proceskostenveroordeling in dit incident (à € 563,00) maakt deel uit van het bedrag waarvoor zekerheid moet worden gesteld.
4.3.5.
Onder verwijzing naar het vonnis van deze rechtbank van 19 oktober 2022 (ECLI:NL:RBROT:2022:8615, rechtsoverweging 4.8.2) worden de bedragen in rechtsoverwegingen 4.3.3 en 4.3.4 verhoogd met 16%. Het totaalbedrag aan zekerheidstelling komt dan op:
griffierecht € 8.519,00
salaris € 8.109,56
€ 16.628,56
Wijze van zekerheidstelling
4.4.
Ten aanzien van de wijze waarop zekerheid moet worden gesteld, oordeelt de rechtbank als volgt.
4.4.1.
Op basis van artikel 6:51 lid 1 BWPro heeft de partij die zekerheid moet stellen de keuze op welke wijze de zekerheidstelling geschiedt. De aangeboden zekerheid moet echter zodanig zijn, dat de vordering behoorlijk gedekt is en dat de schuldeiser daarop zonder moeite verhaal zal kunnen nemen (artikel 6:51 lid 2 BWPro).
4.4.2.
De rechtbank stelt voorop dat het stellen van zekerheid middels een bankgarantie, af te geven door een in Nederland gevestigde bank, in het Nederlandse handelsverkeer gebruikelijk is. De voorkeur van ST Shipping gaat uit naar het stellen van zekerheid in de vorm van een bankgarantie af te geven door International Sureties namens Lloyds Underwriters. Gesteld noch gebleken is dat International Sureties in de Europese Unie is gevestigd, of dat een bankgarantie op de door ST Shipping voorgestelde wijze anderszins tot de in artikel 6:51 BWPro bedoelde waarborg leidt dat Lukoil zonder moeite verhaal zal kunnen nemen op de aangeboden zekerheid. Bij gebreke aan een nadere onderbouwing van ST Shipping op dit punt, zal de bankgarantie naar het oordeel van de rechtbank in beginsel dienen te worden afgegeven door een Nederlandse bank.
4.5.
Voor het geval het niet mogelijk mocht zijn een bankgarantie te verkrijgen, wijst de rechtbank partijen op de mogelijkheid dat het bedrag wordt gedeponeerd op de derdengeldrekening van de advocaat van Lukoil. Een dergelijk aanbod zal Lukoil in beginsel moeten aanvaarden. De rechtbank verwijst in dit verband naar het arrest van de Hoge Raad van 9 september 2022 (ECLI:NL:HR:2022:1181).
Conclusie
4.6.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank ST Shipping veroordelen tot het stellen van zekerheid voor de proceskosten van Lukoil voor een bedrag van € 16.628,56, in de vorm van een bankgarantie af te geven door een eerste klas Nederlandse bank binnen vier weken na de datum van dit vonnis, dan wel een depot van dit bedrag op de derdengeldrekening van de advocaat van Lukoil binnen diezelfde termijn. De rechtbank wijst ST Shipping erop dat het niet binnen de termijn stellen van zekerheid in beginsel tot haar niet-ontvankelijkheid in de hoofdzaak leidt.
Proceskosten
4.7.
ST Shipping is de in het incident in overwegende mate in het ongelijk gestelde partij: zij wordt veroordeeld tot een hogere zekerheidstelling dan bepleit en in een andere vorm dan zij voorstaat. Het uitgangspunt is dan ook dat ST Shipping in de kosten wordt veroordeeld.
4.8.
ST Shipping heeft een beroep gedaan op een uitzondering op de hoofdregel, namelijk dat kosten die nodeloos werden aangewend of veroorzaakt, voor rekening kunnen worden gelaten van de partij die dat deed. Daarvan is echter geen sprake. Het staat Lukoil vrij om een incidentele vordering tot zekerheidstelling in te stellen en ST Shipping had dit ook kunnen voorzien. ST Shipping heeft niet gesteld tevoren zekerheid te hebben aangeboden en ook niet tot het bedrag waartoe zij thans wordt veroordeeld.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
4.9.
De veroordeling wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat dit is gevorderd en de vordering niet is weersproken.
5.Ambtshalve beoordeling in de hoofdzaak
5.1.
De zaak wordt verwezen naar de rol van 14 december 2022. Indien zekerheid is gesteld, moet Lukoil op die rol een conclusie van antwoord nemen. Als geen zekerheid is gesteld, dan moet Lukoil op die rol een akte nemen met betrekking tot het uitblijven van de zekerheid, waarop ST Shipping op een termijn van twee weken zal mogen reageren.
6.De beslissing
De rechtbank
in het incident
6.1.
veroordeelt ST Shipping om binnen vier weken na de datum van dit vonnis, op straffe van niet-ontvankelijkheid in de hoofdzaak, ten gunste van Lukoil zekerheid te stellen voor de proceskosten van Lukoil voor een bedrag van € 16.628,56,
- hetzij in de vorm van een bankgarantie af te geven door een eerste klas Nederlandse bank;
- hetzij door depot van het bedrag op de derdengeldrekening van de advocaat van Lukoil;
6.2.
veroordeelt ST Shipping in de kosten van het incident, aan de zijde van Lukoil begroot op € 563,00;
6.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.4.
wijst het meer of anders gevorderde af;
in de hoofdzaak
6.5.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 14 december 2022voor handelingen zoals omschreven in rechtsoverweging 5.1;
6.6.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. J. van den Bos. Het is ondertekend door de rolrechter en door deze in het openbaar uitgesproken op 2 november 2022.