Uitspraak
gevestigd te Teheran, Iran,
gevestigd te [vestigingsplaats],
2.Uitgangspunten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
9 september 2022.
Hoge Raad
In deze zaak vordert IPMI betaling van een bedrag van ruim drie miljoen euro van [verweerster] B.V. De rechtbank wees de vordering af, waarna IPMI hoger beroep instelde. Het hof stelde in een incident dat IPMI zekerheid moest stellen voor proceskosten door middel van een bankgarantie of depotstorting op een notariële derdengeldrekening, met als sanctie niet-ontvankelijkheid bij niet-naleving.
IPMI stortte tijdig het gevorderde bedrag op de derdengeldrekening van een notaris, maar het hof oordeelde dat dit onvoldoende was omdat geen tijdig ondertekende depotovereenkomst was overgelegd. Het hof verklaarde IPMI daarom niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
De Hoge Raad stelt dat het hof onjuist heeft geoordeeld dat een schriftelijke depotovereenkomst vereist is voor een geldige zekerheidstelling via depotstorting. De Hoge Raad benadrukt dat de zekerheid zodanig moet zijn dat de wederpartij zonder moeite verhaal kan nemen op het depotbedrag, maar dat dit niet per se een schriftelijke overeenkomst vereist.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof, bepaalt dat IPMI tijdig aan het bevel tot zekerheidstelling heeft voldaan door de depotstorting, en verwijst de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor verdere behandeling. Tevens veroordeelt de Hoge Raad [verweerster] in de kosten van het cassatiegeding.
Uitkomst: De Hoge Raad oordeelt dat IPMI tijdig heeft voldaan aan het bevel tot zekerheidstelling en verwijst de zaak voor verdere behandeling.