ECLI:NL:RBROT:2022:10805

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
18 november 2022
Publicatiedatum
9 december 2022
Zaaknummer
9984952
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:74 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering schadevergoeding huurder camper, toewijzing terugbetaling borgsom

De zaak betreft een geschil tussen een camperverhuurder en huurder over kosten die zijn gemaakt na een klapband tijdens een vakantie in Frankrijk. De huurder betaalde zelf reparatie- en sleepkosten en ontving een verzekeringsuitkering. De verhuurder vorderde betaling van een factuur voor reparatiekosten die de huurder betwistte.

De rechtbank oordeelt dat de verhuurder onvoldoende heeft onderbouwd dat de kosten voor rekening van de huurder komen, mede omdat de huurder de kosten reeds heeft voldaan en een verzekeringsuitkering heeft ontvangen. De vordering tot betaling van de hoofdsom en bijkomende kosten wordt daarom afgewezen.

De huurder vordert terugbetaling van de borgsom en vergoeding van resterende reparatiekosten en gederfd huurgenot. De rechtbank kent alleen de terugbetaling van de borgsom toe, wijst de overige vorderingen af wegens onvoldoende onderbouwing.

De proceskosten worden grotendeels aan de verhuurder opgelegd. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De vordering tot betaling van reparatiekosten wordt afgewezen, alleen de terugbetaling van de borgsom wordt toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 9984952 \ CV EXPL 22-20637
datum uitspraak: 18 november 2022
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[persoon01],
woonplaats: [woonplaats01] ,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
gemachtigde: M. Hennen,
tegen
[persoon02],
woonplaats: [woonplaats02] ,
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
gemachtigde: mevrouw [naam01] .
De partijen worden hierna ‘ [persoon01] ’ en ‘ [persoon02] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 23 juni 2022, met bijlagen;
  • de schriftelijke reactie met eis in reconventie van [persoon02] , met bijlagen;
  • de brief waarin een mondelinge behandeling is bepaald.
1.2.
Op 21 oktober 2022 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling besproken. Daarbij waren aanwezig: de heer [persoon02] en mevrouw [naam02] , bijgestaan door mevrouw [naam01] als gemachtigde. Aan de zijde van [persoon01] is niemand verschenen. Van hetgeen is besproken heeft de griffier aantekeningen gemaakt.

2.De feiten

2.1.
[persoon02] heeft via de website van camperverhuurbemiddelaar ‘ [naam03] ’ een camper gehuurd van eigenaresse [persoon01] (hierna: ‘de camper’). Naast de huursom van
€ 1.208,00 voor zeven nachten heeft hij een borgsom betaald van € 350,00. In de huurvoorwaarden van [naam03] is onder meer het volgende bepaald:
Artikel 1. Definities
[…]
q. Reparatiekosten: kosten die gemaakt dienen te worden in het geval van schade om het Gehuurde weer in dezelfde staat te brengen als voor de schade, inclusief het bewijs zoals aankoopbewijzen van de vervangingsmaterialen en/of reparatiefacturen die aan de wettelijke eisen voldoen;
2.2.
Per e-mail van 16 mei 2019 heeft [naam03] aan [persoon02] onder meer het volgende medegedeeld:
Bedankt dat je het eigen risico verzekert van je [naam03] reservering. Met deze reservering zijn schades aan de camper die je hebt gehuurd, verzekerd boven € 150 per gebeurtenis.
2.3.
In augustus 2019 heeft [persoon02] een klapband gekregen terwijl hij met de camper in Frankrijk op vakantie was. Hij heeft toen contact opgenomen met een garagehouder die de camper vervolgens heeft weggesleept en ook twee banden heeft vervangen. Op 13 augustus 2019 heeft [persoon02] aan de garagehouder € 156,95 betaald voor het wegslepen en € 493,56 voor het vervangen van de twee banden.
2.4.
In maart 2020 heeft [persoon02] in totaal € 500,51 aan verzekeringsuitkering ontvangen.
2.5.
[naam03] heeft met haar factuur van 13 mei 2020 een bedrag van € 156,95 aan sleepkosten bij [persoon02] in rekening gebracht, en een bedrag van € 246,78 voor “tweede band”. Deze factuur – ten bedrage van € 403,73 – heeft [persoon02] onbetaald gelaten.

3.Het geschil

3.1.
[persoon01] eist samengevat:
  • [persoon02] te veroordelen aan haar te betalen € 403,73 aan hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 mei 2020 en € 60,56 aan buitengerechtelijke incassokosten;
  • [persoon02] te veroordelen in de proceskosten en de nakosten;
  • het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
[persoon01] baseert de eis op het volgende. Conform artikel q. van de huurvoorwaarden van [naam03] dienen de kosten als gevolg van schade die tijdens de verhuurperiode aan de camper is ontstaan te worden betaald door de huurder. Omdat [persoon02] nalaat de factuur van 13 mei 2020 te betalen schiet hij toerekenbaar tekort in de nakoming van de overeenkomst op grond van artikel 6:74 BW Pro.
3.3.
[persoon02] is het niet eens met de eis van [persoon01] en eist zelf samengevat:
- [persoon01] te veroordelen aan hem te betalen:
o € 186,25 aan restant van de borgsom;
o € 513,24 aan resterende reparatiekosten;
o € 604,00 aan gederfd huurgenot (de helft van de huursom).
3.4.
[persoon02] voert hiertoe het volgende aan. De kosten die door [naam03] in rekening worden gebracht (de hoofdsom), zijn door [persoon02] zelf betaald. De factuur is dus geen factuur ter zake van werkelijk gemaakte kosten, maar een door [naam03] zelf aangemaakt document. [persoon02] stelt dat hij € 186,25 aan borgsom en € 513,24 aan door hem betaalde kosten voor berging en reparaties ten onrechte niet heeft teruggekregen. Ten slotte voert hij aan dat hij na het krijgen van de klapband lang langs de kant van de weg heeft moeten wachten en daardoor een vakantiedag heeft verloren, waardoor hij aanspraak maakt op vergoeding voor gederfd huurgenot.

4.De beoordeling

in conventie
4.1.
[persoon01] heeft haar vordering gegrond op artikel q. van de huurvoorwaarden van [naam03] . Die bepaling geeft een definitie van reparatiekosten; hieruit blijkt geenszins voor wiens rekening deze kosten dienen te komen. Deze grondslag kan de vordering tot betaling van de hoofdsom dan ook niet dragen.
4.2.
Ook anderszins is op basis van het door [persoon01] summier gestelde niet duidelijk op basis waarvan de kosten voor rekening van [persoon02] dienen te komen. Bovendien heeft [persoon02] aangevoerd dat hij de kosten die zijn genoemd in de factuur van [naam03] reeds zelf heeft betaald. Dit is door [persoon01] niet betwist. De vordering tot betaling van de hoofdsom zal dan ook worden afgewezen. Ook de daarmee samenhangende vorderingen tot betaling van de wettelijke rente en de buitengerechtelijke kosten worden afgewezen.
Proceskosten
4.3.
[persoon01] krijgt ongelijk en moet daarom de proceskosten betalen. De kantonrechter stelt deze kosten aan de kant van [persoon02] tot vandaag vast op € 75,00 aan salaris voor de gemachtigde (één punt x € 75,00 tarief voor de mondelinge behandeling; gesteld noch gebleken is dat de gemachtigde van [persoon02] het schriftelijke verweer heeft opgesteld).
in reconventie
Resterende reparatiekosten
4.4.
[persoon02] heeft met betaalbewijzen en facturen onderbouwd dat hij in totaal € 650,51 aan reparatiekosten heeft betaald aan een Franse garagehouder. Voor zover hij zich op het standpunt stelt dat hij méér reparatiekosten heeft gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen (in zijn e-mails van 19 mei 2020 en 3 juni 2020 aan [naam03] noemt hij een bedrag van € 850,00), heeft hij dat standpunt onvoldoende onderbouwd.
4.5.
Vast staat dat [persoon02] in totaal € 500,51 van een verzekeraar uitgekeerd heeft gekregen. Wanneer het uitgekeerde bedrag in mindering wordt gebracht op het door [persoon02] betaalde bedrag, resteert € 150,00, hetgeen het resterende bedrag aan eigen risico is zoals vermeld in de bij 2.2 genoemde e-mail. Voor zover [persoon02] zich op het standpunt stelt dat dit bedrag
ten onrechteaan eigen risico op de verzekeringsuitkering is ingehouden, heeft hij onvoldoende onderbouwd waarom het eigen risico – dat de rechtsverhouding tussen [persoon02] en de verzekeraar betreft – voor rekening van [persoon01] zou moeten komen. Bovendien heeft hij in zijn e-mail van 3 juni 2020 de uitkering ten bedrage van
€ 500,51 een “terecht besluit van de verzekeraar” genoemd.
4.6.
Voor zover de kantonrechter op basis van de stukken in het dossier kan opmaken stelt zij met inachtneming van het voorgaande vast dat de reparatiekosten die [persoon02] aantoonbaar heeft gemaakt met – terechte – inachtneming van het eigen risico zijn vergoed door de verzekeraar. Voor veroordeling van [persoon01] tot betaling aan [persoon02] van het in dit kader gevorderde bedrag van € 513,24 aan resterende reparatiekosten ontbreekt een onderbouwing; deze vordering zal worden afgewezen.
Gederfd huurgenot
4.7.
[persoon02] vordert de helft (€ 604,00) van de totale huursom (€ 1.208,00) als vergoeding voor gederfd huurgenot. De kantonrechter begrijpt dat het frustrerend en een nare ervaring kan zijn om tijdens een vakantie met pech langs de kant van de weg te staan, maar voor toewijzing van een dergelijk schadebedrag in rechte is in dit geval een nadere motivering vereist. De gevorderde vergoeding zal als onvoldoende onderbouwd worden afgewezen.
Borgsom
4.8.
Als niet door [persoon01] betwist staat tussen partijen vast dat [persoon02] € 350,00 aan borg voor de camper heeft betaald aan [persoon01] . Ook is tussen partijen niet in geschil dat [persoon02] inmiddels de camper heeft geretourneerd aan [persoon01] . [persoon01] heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de gevorderde terugbetaling van de borg. Aangezien is gesteld noch gebleken dat een (schade)bedrag moet worden ingehouden op de borg, zal aan terug te betalen borg een bedrag van € 350,00 worden toegewezen.
Proceskosten
4.9.
[persoon01] krijgt voor het grootste deel ongelijk en moet daarom de proceskosten betalen. De kantonrechter stelt deze kosten aan de kant van [persoon02] tot vandaag vast op € 37,50 aan salaris voor de gemachtigde (een half punt x € 75,00 tarief voor de mondelinge behandeling). Voor kosten die [persoon02] maakt na deze uitspraak moet [persoon01] ook een bedrag betalen van € 37,50 (een half punt x € 75,00 tarief met maximum € 124,00). Hier kan nog een bedrag bijkomen voor de betekening van de uitspraak. In dit vonnis hoeft hierover geen aparte beslissing te worden genomen (ECLI:NL:HR:2022:853).
in conventie en in reconventie
4.10.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

5.De beslissing

De kantonrechter:
in conventie
5.1.
wijst de vorderingen af;
5.2.
veroordeelt [persoon01] in de proceskosten, aan de kant van [persoon02] tot vandaag vastgesteld op € 75,00;
in reconventie
5.3.
veroordeelt Panyupat om aan [persoon02] te betalen € 350,00;
5.4.
veroordeelt [persoon01] in de proceskosten, aan de kant van [persoon02] tot vandaag vastgesteld op € 37,50;
in conventie en in reconventie
5.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.6.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. van der Kolk en in het openbaar uitgesproken.
48637