ECLI:NL:RBROT:2022:10809

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
9 november 2022
Publicatiedatum
9 december 2022
Zaaknummer
10006811
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWArt. 130 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling tot nakoming betalingsregeling en proceskosten in kort geding

In deze kortgedingprocedure vorderen eisers nakoming van een betalingsregeling die met gedaagde is overeengekomen. Gedaagde betaalde twee termijnen, maar liet de derde termijn onbetaald. Na meerdere aanmaningen verscheen gedaagde niet op de mondelinge behandeling, waarna verstek werd verleend.

De kantonrechter oordeelt dat de betalingsregeling duidelijk is en dat gedaagde gehouden is het resterende bedrag van € 2.829,40 te voldoen. De vordering tot betaling van kosten van deskundigenonderzoek wordt afgewezen omdat hierover niets in de regeling is afgesproken.

Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten aan eisers, vastgesteld op € 711,43, met wettelijke rente. Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van het resterende bedrag uit de betalingsregeling en de proceskosten, terwijl de kosten van deskundigenonderzoek worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 10006811 \ VV EXPL 22-283
datum uitspraak: 9 november 2022
Vonnis in kort geding van de kantonrechter
in de zaak van

1.[eiser01] , en

2. [eiser02],
wonende te [woonplaats01] ,
eisers,
gemachtigde: mr. G.M. Verburg, advocaat te Amsterdam,
tegen
[gedaagde01], die handelt onder de naam [handelsnaam01] ,
wonende te [woonplaats02] ,
gedaagde,
die niet is verschenen.
Partijen worden hierna ‘ [eiser01] c.s.’ en ‘ [gedaagde01] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 25 juli 2022, met bijlagen;
  • de akte houdende eiswijziging en -vermindering ex artikel 130 Rv Pro, met bijlagen.
1.2.
Op 28 oktober 2022 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling besproken. Daarbij waren aanwezig: de heer [eiser01] en mevrouw [eiser02] , bijgestaan door mr. G.M. Verburg en mr. F.R.H. van der Leeuw als gemachtigden. Aan de zijde van [gedaagde01] is niemand verschenen.
1.3.
De uitspraak van het vonnis is bij vervroeging bepaald op heden.

2.De feiten

2.1.
Aanvankelijk is [gedaagde01] gedagvaard om op 9 augustus 2022 te verschijnen bij een mondelinge behandeling. Op 5 augustus 2022 heeft mr. G.M. Verburg namens [eiser01] c.s. een e-mail gestuurd aan [gedaagde01] waarin zij heeft bevestigd dat partijen een regeling zijn overeengekomen. Deze regeling houdt – kort gezegd – in dat [gedaagde01] aan [eiser01] c.s. € 4.829,40 betaalt in twee termijnen van € 1.000,00 en één van € 2.829,40. De mondelinge behandeling is destijds aangehouden in afwachting van de nakoming van deze betalingsregeling door [gedaagde01] .
2.2.
[gedaagde01] heeft de eerste twee termijnen betaald. De derde termijn – ten bedrage van € 2.829,40, welk bedrag uiterlijk 9 september 2022 betaald moest worden – is onbetaald gebleven.
2.3.
Op 12, 19 en 26 september 2022 is [gedaagde01] aangemaand om alsnog het resterende bedrag te voldoen. Omdat geen betaling werd ontvangen, hebben [eiser01] c.s. [gedaagde01] laten oproepen voor een nieuwe mondelinge behandeling op 28 oktober 2022. Op die zitting is van [gedaagde01] , zoals hiervoor ook al gezegd, niet verschenen.

3.Het geschil

3.1.
[eiser01] c.s. vorderen – na eiswijziging – samengevat:
primair:
- [gedaagde01] te veroordelen tot nakoming van de betalingsregeling / vaststellingsovereenkomst met [eiser01] c.s. d.d. 5 augustus 2022;
subsidiair:
- [eiser01] c.s. te machtigen om een derde te laten bewerkstelligen waartoe nakoming van de aannemingsovereenkomst zou hebben geleid, meer specifiek herstel van de onder 6. in de dagvaarding genoemde gebreken, en de kosten daarvoor te verhalen op [gedaagde01] . [eiser01] c.s. vorderen tevens een voorschot op de herstelkosten ter hoogte van
€ 2.829,40 inclusief btw, te vermeerderen met wettelijke rente;
in alle gevallen:
  • [gedaagde01] te veroordelen tot betaling aan [eiser01] c.s. van € 1.391,50 voor de kosten van het deskundigenonderzoek;
  • [gedaagde01] te veroordelen in de proceskosten, waaronder de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
3.2.
[eiser01] c.s. baseren de eis op de tussen partijen overeengekomen betalingsregeling. [gedaagde01] is deze regeling niet volledig nagekomen en dient daar nu toe te worden veroordeeld.
3.3.
Aangezien [gedaagde01] niet bij de mondelinge behandeling is verschenen en niet schriftelijk heeft gereageerd, is van hem geen verweer bekend.

4.De beoordeling

Verstek

4.1.
[gedaagde01] is niet verschenen op de mondelinge behandeling. [eiser01] c.s. hebben de betekende akte houdende eiswijziging en het oproepingsexploot, gedateerd 24 oktober 2022, overgelegd, waaruit blijkt dat [gedaagde01] correct is opgeroepen. Tegen hem wordt daarom verstek verleend.
Beoordelingskader
4.2.
Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt hierbij zoveel spoed heeft dat die partij de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten. Bij die beoordeling is van belang hoe aannemelijk het is dat de eis in een gewone procedure wordt toegewezen. Verder moet het belang dat [eiser01] c.s. hebben bij toewijzing van de eis worden meegewogen en de gevolgen hiervan voor [gedaagde01] als deze uitspraak later wordt teruggedraaid.
Spoedeisendheid
4.3.
Voldoende is gebleken dat [eiser01] c.s. een spoedeisend belang hebben bij de door hen gevorderde voorzieningen, zodat zij in zoverre ontvankelijk zijn.
Regeling
4.4.
De gevorderde veroordeling tot nakoming van de betalingsregeling komt de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal dan ook worden toegewezen. De inhoud van de betalingsregeling is duidelijk en niet voor tweeërlei uitleg vatbaar.
[gedaagde01] heeft bovendien, voor zover relevant, met de betaling van de eerste twee termijnbedragen de regeling als zodanig bevestigd en hij is gehouden het resterende termijnbedrag eveneens te voldoen. Aangezien de primair gevorderde veroordeling zal worden toegewezen, komt de kantonrechter niet meer toe aan de beoordeling van hetgeen subsidiair is gevorderd.
Kosten deskundigenonderzoek
4.5.
[eiser01] c.s. maken tevens aanspraak op een bedrag van € 1.391,50 voor kosten van het deskundigenonderzoek, dat in deze zaak heeft plaatsgehad. In de regeling die partijen hebben getroffen is echter niets afgesproken over (verschuldigdheid van) deze kosten. Ook is er te dien aanzien geen voorbehoud gemaakt in die regeling. [eiser01] c.s. kunnen niet achteraf – en in aanvulling op de tussen partijen getroffen regeling – alsnog ook de kosten voor het deskundigenonderzoek bij van [gedaagde01] in rekening brengen. De gevorderde betaling van deze kosten zal worden afgewezen.
Proceskosten
4.6.
[gedaagde01] wordt voor het grootste deel in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De kantonrechter stelt deze kosten aan de kant van [eiser01] c.s. tot vandaag vast op € 127,43 aan dagvaardingskosten, € 86,00 aan griffierecht en € 498,00 aan salaris voor de gemachtigde. Dit is totaal € 711,43. Voor kosten die [eiser01] c.s. maken na deze uitspraak moet [gedaagde01] ook een bedrag betalen van € € 124,00. Hier kan nog een bedrag bijkomen voor de betekening van de uitspraak. In dit vonnis hoeft hierover geen aparte beslissing te worden genomen (ECLI:NL:HR:2022:853). De wettelijke rente wordt toegewezen. De kosten die [eiser01] c.s. hebben gemaakt voor de betekening van de eiswijziging en de oproeping respectievelijk op 14 en 24 oktober 2022 dienen zij voor eigen rekening te nemen.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
4.7.
Dit vonnis wordt, zoals gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

5.De beslissing

De kantonrechter:
5.1.
veroordeelt [gedaagde01] tot nakoming van de betalingsregeling / vaststellingsovereenkomst met [eiser01] c.s. van 5 augustus 2022 in die zin dat hij veroordeeld wordt tot betaling van het resterende bedrag van € 2.829,40 aan [eiser01] c.s.;
5.2.
veroordeelt [gedaagde01] in de proceskosten, aan de kant van [eiser01] c.s. tot vandaag vastgesteld op € 711,43 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.J.J. Wetzels en in het openbaar uitgesproken.
48637