3.2.Verder is het vaste rechtspraak van de Afdeling dat bij een besluit over de invordering van een verbeurde dwangsom aan het belang van de invordering veel gewicht moet worden toegekend. Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag dat behoort uit te gaan van een besluit tot oplegging van een last onder dwangsom. Slechts in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 15 september 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2070. 4. Eiseres voert aan dat verweerder ten onrechte tot invordering is overgegaan. Zij heeft er alles aan gedaan om aan de voorwaarden voor het verkrijgen van een omgevingsvergunning te voldoen. Eiseres en het door haar ingeschakelde ingenieursbureau hebben steeds contact met de gemeente onderhouden. Eiseres mocht er daarom op vertrouwen dat de last niet zou worden ingevorderd. Het invorderen van de dwangsom is onevenredig, temeer nu eiseres de kelder inmiddels in de oorspronkelijke staat heeft teruggebracht. Eiseres heeft dit zelf gedaan, waardoor zij nu kampt met lichamelijke problemen. Ook gaat het financieel slecht met de onderneming van eiseres, en is het aannemelijk dat haar onderneming het betalen van de dwangsom niet zal overleven. Eiseres heeft ter onderbouwing hiervan financiële gegevens overgelegd over de periodes 2019, 2020 en 2021.
5. Niet ter discussie staat dat de overtreding niet binnen zes weken na 20 augustus 2020 is beëindigd. Eiseres heeft immers binnen zes weken na deze datum geen onherroepelijke omgevingsvergunning verkregen en evenmin de kelder teruggebracht in de oorspronkelijke staat. De dwangsom is dus van rechtswege verbeurd, zodat verweerder in beginsel bevoegd was tot invordering van de dwangsom over te gaan. De rechtbank is echter van oordeel dat er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat verweerder van invordering had moeten afzien. De rechtbank licht dit oordeel als volgt toe.
6. Eiseres heeft er na het dwangsombesluit van 20 augustus 2020 voor gekozen om een omgevingsvergunning aan te vragen. Omdat zij niet vóór 1 oktober 2020 (zes weken na 20 augustus 2020) over een onherroepelijke omgevingsvergunning is komen te beschikken, was reeds op dat moment de dwangsom verbeurd. Daargelaten de vraag of het verkrijgen van een onherroepelijke omgevingsvergunning binnen zes weken reëel is, heeft verweerder tijdens het aanvraagtraject niet aan eiseres duidelijk gemaakt dat de dwangsom al was verbeurd. Pas bijna een jaar later, op 14 september 2021, is verweerder overgegaan tot invordering van de dwangsom. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat zo lang is gewacht met het invorderen van de dwangsom omdat hij eiseres de kans wilde geven alsnog een omgevingsvergunning te verkrijgen. De rechtbank kan verweerder in zoverre volgen. Toen echter op 26 juli 2021 duidelijk was geworden dat de aanvraag (opnieuw) was afgewezen, had het, mede gelet op het lange tijdsverloop sinds het dwangsombesluit, op de weg van verweerder gelegen om eiseres duidelijk te maken dat invordering van de dwangsom dreigde. Verweerder heeft deze duidelijkheid niet gegeven. Integendeel: op 2 september 2021 heeft [naam 1] namens verweerder een e-mail aan het door eiseres ingeschakelde ingenieursbureau gestuurd met de mededeling dat zij opnieuw een omgevingsvergunning kon aanvragen (zie het citaat in overweging 1.4.). Gelet op het geheel van deze omstandigheden had verweerder naar het oordeel van de rechtbank moeten afzien van het nemen van het invorderingsbesluit. De rechtbank weegt hierbij mee dat zij niet kan uitsluiten dat, ingeval verweerder na de afwijzing van de omgevingsvergunning de hiervoor bedoelde duidelijkheid wél zou hebben gegeven, eiseres het pand nog vóór het invorderingsbesluit van 14 september 2021 zou kunnen hebben teruggebracht in de oorspronkelijke staat.
7. Gelet op het vorenstaande is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid. Ook is niet deugdelijk gemotiveerd dat er in dit geval geen bijzondere omstandigheden zijn die maken dat van invordering had moeten worden afgezien (artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht). Het beroep is gegrond en de rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien, omdat niet valt in te zien dat verweerder het gebrek nog kan herstellen. Zij zal het primaire besluit herroepen en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit. Dit betekent dat eiseres het bedrag van € 10.000,- niet hoeft te betalen aan verweerder.
8. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoeden.
9. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert vier punten op (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting met een waarde per punt van € 541,- en 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 759,-, en wegingsfactor 1). Toegekend wordt € 2.600,-.