ECLI:NL:RVS:2021:2070
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging invordering dwangsom wegens te hoge grondwal na omgevingsvergunning
Het college van gedeputeerde staten van Fryslân verleende op 28 september 2011 een omgevingsvergunning milieu aan Recycling De Mieden B.V. (RDM) met de verplichting een grondwal aan te leggen van maximaal 7 meter hoog, aflopend tot 4 meter aan de westzijde. Na een controle op 3 november 2016 bleek dat de grondwal was opgehoogd. Metingen van Pro-linQ ingenieurs bevestigden dit, waarna RDM toezegde de grondwal te verlagen.
Het college gaf op 11 augustus 2017 een last onder dwangsom om de grondwal te verlagen binnen een termijn van drie maanden. Omdat RDM hier niet aan voldeed, werd op 20 november 2018 een dwangsom van €10.000,- ingevorderd. RDM maakte bezwaar tegen de invordering, maar dit werd ongegrond verklaard. Ook de rechtbank verklaarde het beroep van RDM ongegrond.
RDM voerde in hoger beroep aan dat onduidelijkheid over het peil waartegen de hoogte werd gemeten tot willekeur en rechtszekerheidsproblemen leidde. De Raad van State oordeelde dat RDM deze gronden tijdig had moeten aanvoeren tegen de last onder dwangsom en dat de invordering terecht was. Het college had het voor RDM meest gunstige peil gehanteerd en zelfs dan was de grondwal te hoog. Er waren geen bijzondere omstandigheden om van invordering af te zien.
Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Proceskosten worden niet toegewezen.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt dat de dwangsom terecht is ingevorderd omdat de grondwal niet binnen de vergunde hoogte is gebracht.