ECLI:NL:RBROT:2022:11165

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
16 december 2022
Publicatiedatum
21 december 2022
Zaaknummer
10043878 \ CV EXPL 22-24566
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betalingsvordering wegens niet-betaalde hotel- en congresdiensten

Golden Tulip Alkmaar B.V. heeft een vordering ingesteld tegen [gedaagde01] wegens niet-betaalde factuur voor hotelovernachtingen, zaalhuur en consumpties in februari 2020. De factuur bedroeg €2.077,84, vermeerderd met handelsrente en buitengerechtelijke incassokosten, totaal €2.777,54.

[gedaagde01] betwist aansprakelijkheid en stelt dat hij slechts namens [bedrijf01] handelde, die de kosten zou dragen. De rechtbank onderzoekt of [gedaagde01] als contractspartij of als vertegenwoordiger van [bedrijf01] optrad. Uit de opdrachtbevestiging, het ingevulde debiteurenformulier en WhatsApp-berichten blijkt dat [gedaagde01] niet namens [bedrijf01] handelde.

De rechtbank oordeelt dat Golden Tulip terecht mocht aannemen dat [gedaagde01] de overeenkomst zelf was aangegaan en veroordeelt hem tot betaling van het volledige bedrag, inclusief rente en incassokosten. Tevens worden de proceskosten aan [gedaagde01] opgelegd en wordt het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van €2.777,54 plus rente en proceskosten aan Golden Tulip.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 10043878 \ CV EXPL 22-24566
datum uitspraak: 16 december 2022
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
Golden Tulip Alkmaar B.V., die handelt onder de naam
Hotel Alkmaar,
vestigingsplaats: Alkmaar,
eiseres,
gemachtigde: K.W.A. van der Meer,
tegen
[gedaagde01], die handelt onder de naam
[handelsnaam01]en
[handelsnaam02],
woonplaats: [woonplaats01] ,
gedaagde,
die zelf procedeert.
De partijen worden hierna ‘Golden Tulip’ en ‘ [gedaagde01] ’ genoemd.

1..De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 25 juli 2022, met bijlagen;
  • het e-mailbericht van 15 augustus 2022 van de zijde van [gedaagde01] ;
  • de brief waarin een mondelinge behandeling is bepaald.
1.2.
Op 15 november 2022 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling met partijen en de gemachtigde van Golden Tulip besproken.

2..Het geschil

2.1.
Golden Tulip eist samengevat:
  • [gedaagde01] te veroordelen aan haar te betalen € 2.777,54 met handelsrente;
  • [gedaagde01] te veroordelen in de proceskosten;
  • het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Het bedrag dat wordt geëist, bestaat uit de hoofdsom van € 2.077,84, handelsrente van € 388,02 (berekend tot 25 juli 2022) en buitengerechtelijke kosten van € 311,68 (exclusief btw).
2.2.
Golden Tulip baseert de eis op het volgende. [gedaagde01] heeft omstreeks 24 februari 2020 tot en met 27 februari 2020 hotelovernachtingen genoten, gebruikgemaakt van een zaal met toebehoren en de nodige etenswaren en dranken besteld en geleverd gekregen. Golden Tulip heeft [gedaagde01] hiervoor bij factuur van 29 februari 2020 een bedrag van € 2.077,84 in rekening gebracht. Deze factuur is tot op heden niet betaald. Omdat [gedaagde01] ook na aanmaning niet overging tot betaling heeft Golden Tulip haar gemachtigde ingeschakeld en maakt zij aanspraak op een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten van € 311,68 en wettelijke handelsrente.
2.3.
[gedaagde01] is het niet eens met de eis en voert het volgende aan. [gedaagde01] heeft in opdracht van [bedrijf01] te [plaats01] een congres bij Golden Tulip georganiseerd. De kosten van dit congres zouden door [bedrijf01] worden betaald. Er is geen overeenkomst tussen [gedaagde01] en Golden Tulip tot stand gekomen, zodat [gedaagde01] niets aan Golden Tulip hoeft te betalen.

3..De beoordeling

Overeenkomst tussen Golden Tulip en [gedaagde01] ?
3.1.
Centraal staat vraag of [gedaagde01] de overeenkomst met Golden Tulip, waarop de hierboven genoemde factuur van 29 februari 2020 is gebaseerd, voor zichzelf of namens [bedrijf01] heeft gesloten.
3.2.
Het antwoord op de vraag of iemand bij het sluiten van een overeenkomst met een ander in eigen naam – dat wil zeggen als wederpartij van die ander (in dit geval Golden Tulip) – is opgetreden, hangt af van hetgeen hij en die ander daaromtrent over en weer uit elkaar verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden (HR 11 maart 1977, NJ 1977/521).
3.3.
Uit de door Golden Tulip als productie 1 overgelegde opdrachtbevestiging, vooraf gegaan door een aanvraag met toelichting van [gedaagde01] , blijkt niet dat [gedaagde01] namens [bedrijf01] handelde. Nergens is hierin namelijk de naam van [bedrijf01] vermeld. Daar komt bij dat het debiteurenformulier dat [gedaagde01] op verzoek van Golden Tulip heeft ingevuld, door hem is ingevuld met zijn eigen gegevens waaronder zijn KvK nummer (en niet die/dat van [bedrijf01]). Uit de door [gedaagde01] overgelegde Whatsapps kan ook niet worden afgeleid dat [bedrijf01] de contractspartij zou zijn en voor het congres zou betalen, laat staan dat niet gesteld of gebleken is op welke wijze Golden Tulip van deze Whatsapps op de hoogte zou kunnen zijn.
3.4.
Dit leidt tot het oordeel dat Golden Tulip in de gegeven omstandigheden terecht mocht begrijpen dat [gedaagde01] de overeenkomst voor zichzelf sloot. [gedaagde01] is dan ook de contractspartij en als zodanig gehouden de factuur te betalen. De enkele stelling van [gedaagde01] tijdens de mondelinge behandeling dat hij aan de balie bij Golden Tulip kenbaar heeft gemaakt dat hij namens [bedrijf01] handelde is, gelet op de betwisting daarvan door Golden Tulip en bij gebreke van enige onderbouwing door [gedaagde01] , onvoldoende om tot een ander oordeel te leiden.
3.5.
De conclusie is dan ook dat de vordering tot betaling van de factuur van 29 februari 2020 voor een bedrag van € 2.077,84, waarvan de hoogte verder niet is betwist, wordt toegewezen.
Buitengerechtelijke incassokosten en rente
3.6.
De buitengerechtelijke incassokosten van € 311,68 (exclusief btw) worden ook toegewezen, omdat aan alle voorwaarden is voldaan om een vergoeding voor deze kosten te krijgen. Ook de wettelijke handelsrente, die berekend tot 25 juli 2022 € 388,02 bedraagt, wordt toegewezen, omdat uit de stellingen van Golden Tulip volgt dat deze moet worden betaald en [gedaagde01] deze stellingen niet heeft betwist.
Proceskosten
3.7.
[gedaagde01] krijgt ongelijk en moet daarom de proceskosten betalen. De kantonrechter stelt deze kosten aan de kant van Golden Tulip tot vandaag vast op € 108,41 aan dagvaardingskosten, € 487,00 aan griffierecht en € 436,00 aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 218,00 tarief). Dit is in totaal € 1.031,41. Voor kosten die Golden Tulip maakt na deze uitspraak moet [gedaagde01] een bedrag betalen van € 109,00 (1/2 punt x € 218,00 tarief met een maximum van € 124,00). Hier kan nog een bedrag bijkomen voor de betekening van de uitspraak. In deze uitspraak hoeft hierover geen aparte beslissing te worden genomen (ECLI:NL:HR:2022:853).
uitvoerbaarheid bij voorraad
3.8.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

4..De beslissing

De kantonrechter:
4.1.
veroordeelt [gedaagde01] om aan Golden Tulip te betalen € 2.777,54, te vermeerderen met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119a BW over een bedrag van € 2.077,84 vanaf 25 juli 2022 tot de dag van volledige betaling;
4.2.
veroordeelt [gedaagde01] in de proceskosten, aan de kant van Golden Tulip tot vandaag vastgesteld op € 1.031,41;
4.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. van Kalmthout en in het openbaar uitgesproken.
54214