In deze zaak vordert eiser betaling van achterstallige huur en contractuele boetes van gedaagde met betrekking tot een garagebox. De huurovereenkomst liep oorspronkelijk van mei 2012 tot mei 2022, maar was volgens een eerdere onherroepelijke uitspraak beëindigd per 1 maart 2018 na opzegging door gedaagde.
Gedaagde betaalde vanaf augustus 2016 geen huur meer en betwistte de vordering onder meer met het argument dat het pand aan een nieuwe huurder zou zijn verhuurd. De kantonrechter stelt vast dat deze verweren reeds in de eerdere procedure zijn behandeld en dat het vonnis van 23 april 2021 onherroepelijk is, waardoor gezag van gewijsde geldt.
De rechter wijst de vordering van eiser toe voor een bedrag van €7.575 aan huurachterstand en €380 aan boetes, alsmede de wettelijke rente en proceskosten. Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.