De rechtbank Rotterdam behandelde een verzoek tot beoordeling van de noodzaak tot beëindiging van het ouderlijk gezag over een minderjarige die sinds haar geboorte in een pleeggezin verblijft. De Raad voor de Kinderbescherming en de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond (GI) hadden verschillende visies over het al dan niet beëindigen van het gezag. De GI stelde dat de ouders niet in staat zijn de verzorging en opvoeding te dragen en dat beëindiging noodzakelijk is, terwijl de Raad negatief adviseerde.
De rechtbank constateerde dat de minderjarige zich positief ontwikkelt in het pleeggezin en dat de ouders niet in staat zijn de zorg op zich te nemen binnen een aanvaardbare termijn. Desondanks achtte de rechtbank beëindiging van het gezag niet noodzakelijk, mede vanwege het belang van het behoud van de ouderlijke rol op afstand en het ontbreken van belemmeringen door de ouders. De rechtbank benadrukte het subsidiariteits- en proportionaliteitsbeginsel uit het EVRM.
De rechtbank verlengde vervolgens de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing tot 29 oktober 2023. Tevens werd vastgesteld dat passende hulpverlening aan de ouders moet worden ingezet om hun rol als ouders op afstand te ondersteunen en de omgang met de minderjarige te verbeteren. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden.