In deze civiele procedure tussen CPA en RIF staat een incident centraal waarin RIF vordert dat CPA inzage geeft in diverse facturen, loonstroken, bankafschriften en arbeidsovereenkomsten. Deze stukken zouden RIF in staat moeten stellen haar verweer tegen de hoofdvordering van CPA adequaat voor te bereiden.
De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 843a Rv alleen inzage kan worden gevorderd indien er sprake is van een rechtmatig belang. Dit belang moet concreet worden onderbouwd, waarbij moet blijken dat het ontbreken van de stukken een onredelijk nadeel voor de verzoekende partij oplevert of een onredelijk voordeel voor de wederpartij.
De rechtbank stelt vast dat RIF onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de gevraagde stukken noodzakelijk zijn voor haar verdediging in de hoofdzaak. Er is geen concreet bewijs dat RIF door het ontbreken van deze stukken een onredelijk nadeel lijdt of dat CPA een onredelijk voordeel behaalt.
Daarom wordt de vordering afgewezen en wordt RIF veroordeeld in de proceskosten van het incident. De hoofdzaak wordt voortgezet met een nieuwe rolzitting gepland op 26 oktober 2022.