De rechtbank Rotterdam heeft op 22 december 2022 uitspraak gedaan in een zaak tegen een verdachte rechtspersoon die werd verdacht van medeplegen van witwassen. De verdachte rechtspersoon had tussen april 2011 en juni 2013 drie panden gekocht met geld waarvan de herkomst niet kon worden verklaard als legaal. Hoewel de verdachte een leningsovereenkomst aanvoerde als financieringsbron, kon dit niet worden onderbouwd en was er sprake van contante stortingen en transacties die duidden op criminele herkomst.
De rechtbank stelde vast dat de panden feitelijk toebehoorden aan medeverdachten en dat de verdachte rechtspersoon wetenschap had van de criminele herkomst van de gelden. De verdediging voerde vrijspraak aan en stelde dat de verklaringen over de herkomst van het geld concreet en verifieerbaar waren, maar de rechtbank vond deze onvoldoende onderbouwd.
Op grond van het bewijs oordeelde de rechtbank dat de verdachte rechtspersoon zich schuldig had gemaakt aan medeplegen van witwassen, maar niet aan het maken van een gewoonte van het delict. De rechtbank legde geen geldboete op vanwege het ontbreken van activiteiten en vermogen, maar verklaarde de drie panden verbeurd. De strafrechtelijke aansprakelijkheid van de rechtspersoon werd bevestigd en de zaak werd afgesloten met een veroordeling en verbeurdverklaring.